Symposium GrasGoed: kansen voor natuurbeheer

Op 25 januari organiseerde Interreg-project ‘GrasGoed: Natuurlijk groen als grondstof’ een mini-symposium bij Avans Hogeschool in Breda. Hier werden de eerste projectresultaten en verwachte uitdagingen gepresenteerd en bediscussieerd. Een drukbezocht evenement met een duidelijk thema: kansen voor natuurbeheer. 

Bij het onderhouden van natuurgebieden ontstaan ‘groene’ reststromen, zoals maaisel van rietlanden, graslanden of vochtige heide. Jaarlijks genereert het Vlaams-Nederlandse natuur- en landschapsbeheer duizenden tonnen maaisel! Deze reststromen worden vaak niet of beperkt benut. Dat is lastig voor beheerders, want het verplaatsen en storten van maaisel is een kostbare aangelegenheid. De GrasGoed-partners willen dit probleem aanpakken. Zij zijn van plan om maaisel een tweede leven te geven, bijvoorbeeld als brandstof, bodemverbeteraar, veevoer of vezels voor verpakkingsmateriaal. Hierdoor kan een regionale, circulaire economie rond de reststromen ontstaan: duurzaam en economisch interessant!

Twee landen, één systeem

Tijdens het symposium illustreerde Alexander Compeer, onderzoeker bij het Centre of Expertise Biobased Economy, hoe de eerste stappen binnen GrasGoed inmiddels zijn gezet. De potentiële reststromen uit de drie deelnemende natuurlijke landschappen,  Altena-Biesbosch/Vlijmens Ven, Grenspark De Zoom-Kalmthoutse Heide, het Dommeldal en Vallei van de Zwarte Beek, zijn inmiddels in kaart gebracht. Voor deze inventarisatie is een grensoverschrijdend systeem bedacht. “In Nederland en Vlaanderen worden verschillende typologieën voor vegetatie gebruikt. Dat kan in ons project nog wel tot verwarring zorgen,” legde Compeer uit. “Daar hebben we nu een oplossing voor gevonden!” Door de Nederlandse en Vlaamse vegetatietypes te vertalen naar de uniforme Van Meerbeek-classificatie, gebaseerd op biomassapotentieel en optimale maaicycli, heeft het onderzoeksteam de focus van 85 vegetatiesoorten naar 11 types kunnen reduceren. Uitgaande van deze types zou er alleen al in de provincie Noord-Brabant jaarlijks zo’n 42.000 ton maaisel met economisch potentieel beschikbaar zijn.

Een veranderende wereld

Projectpartners en belanghebbenden zagen tijdens het symposium hun kans om meningen en visies uit te wisselen. Natuur- en landschapsbeheerders creëerden zo bewustzijn rond de dagelijkse realiteiten binnen hun vakgebied. “Maaien kan slechts op bepaalde momenten. Bovendien is het leveren van een constante kwaliteit met reststromen uit echte natuur niet altijd mogelijk. Hier zal bij het ontwikkelen van waardeketens zeker rekening mee moeten worden gehouden,” klonk het vanuit de zaal. Een volgende deelnemer kon dit zeker beamen, maar vroeg de aanwezigen wel rekening te houden met de toekomst. “We redeneren vaak vanuit het hier en nu en kijken naar de baten en lasten van vandaag. Het doel van dit Interreg-project is echter ook om te anticiperen op een veranderende wereld. Als we straks CO2 toeslagen moeten betalen over onze verwerkingsprocessen, dan gaat er van alles veranderen. Daarom moet er ook binnen onze sector geïnnoveerd worden.”

Om de duurzaamheid van projectrealisaties na de projectperiode te kunnen garanderen worden waardeketens ontwikkeld waarin alle actoren ten minste een kostenreductie realiseren. Het project GrasGoed wordt dan ook gedragen door zowel partners uit de wetenschappelijke wereld als natuurbeheerders en bedrijven uit de machine- of verwerkingssector. De partners en experts die deelnamen aan het symposium werden uitgenodigd om in discussiegroepen na te denken over de toekomst. Zo werd er gesproken over kansen en uitdagingen ten aanzien van ketenontwikkeling en marketing, het inkuilen en bewaren van gras voor bewerking en mogelijkheden voor verbreding van het project naar andere biomassastromen. Rond dit laatste thema werd onder anderen nagedacht over het benutten van invasieve plantsoorten. “De Japanse duizendknoop hoort niet thuis in onze regio, maar groeit tegenwoordig toch overal. Dit zou een stabiele, complementaire bio-reststroom kunnen worden,” vond een van de deelnemers. De participanten gingen hier unaniem mee akkoord.

Een stukje natuurbeheer in huis

Hoewel de GrasGoed-partners nog veel uitdagingen tegemoet zien, levert het project al mooie resultaten. Zo kan iedereen in een online tool bekijken waar bepaalde vegetaties voorkomen en waar de dichtstbijzijnde verzamel- en transportpunten liggen.

Door hecht samen te werken met natuurbeheerders en bedrijven aan weerszijden van de grens, zijn al een aantal mooie test-productieketens ontwikkeld. Tijdens het symposium ontdekten deelnemers al een variatie aan gras-gebaseerde eindproducten, van eierdozen tot isolatiemateriaal. “Hier liggen zeker ook marketingkansen,” bespraken de deelnemers ten slotte. “Aan de hand van een stempel of certificaat kunnen we consumenten tonen dat ze met hun aankoop regionaal natuurbeheer ondersteunen.” En zeg nu eerlijk, wie wil er geen Biesbosch-eierdoos of Dommeldal-melkpak? Dankzij GrasGoed haalt de Vlaams-Nederlandse consument straks een stukje natuurbeheer in huis.

Solidariteit en de overheid: stimuleren of negeren?

Vorige week stuurde een collega een al wat ouder artikel van NOS. Ik heb er sindsdien nog wat vragen over gekregen. Wat denk ik als vrijwilliger binnen het Europees solidariteitskorps bij het lezen van dit artikel? Hier enkele gedachten:
 
Het artikel had wat mij betreft best mogen vermelden dat ondanks de tienduizenden aanmeldingen voor het korps, het niet altijd makkelijk is om mensen met de juiste competenties en motivaties op de juiste plek te plaatsen. Om het korps goed te laten werken zijn niet enkel gemotiveerde jongeren nodig, maar moeten organisaties het ook durven een vrijwilliger in hun team op te nemen en begeleiden. Dat dit binnen het startjaar meer dan tweeduizend keer is gelukt, lijkt me een feit waar de lezer vervolgens zelf haar mening over zou moeten mogen vormen. Ook een analytische blik op dit bepaalde aantal plaatsingen was wat mij betreft welkom geweest. Waarom zijn er niet meer plaatsingen en waar liggen nog ontwikkelkansen? Maar gezien de specifieke onderwerpkeuze en het suggestieve karakter van de titel (“vrijwilligerswerk voor een circus op kosten van de EU”), was dit denk ik nooit de doelstelling van het artikel.
 
Zelf ben ik dankzij het Europees solidariteitskorps in een professionele werkomgeving opgenomen (Interreg Vlaanderen-Nederland) waarin ik heb mogen leren en experimenteren binnen het kader van mijn opleiding: internationaal beleid. Bovendien heb ik als amateur-verslaggever voor dit Europese investeringsfonds mogen bijdragen aan de Europese cohesie, al is het maar een beetje. Door met passie en toewijding deel te nemen aan het korps heb ik uiteindelijk ook een werkplek gevonden binnen het team dat mij als vrijwilliger heeft omarmd.
 
Volgens Judith Tielen van de VVD, geciteerd in dit artikel, is de EU er enkel “voor veiligheid, voor handel en voor welvaart.” Zo’n unie is wat mij betreft gedoemd om ineen te storten. Als je de EU reduceert tot een economische wonderkamer waar je in en uit kunt stappen, ondermijn je de stabiliteit op momenten dat het politiek en economisch gezien minder gaat. Als solidariteitskorps-vrijwilliger voor Interreg Vlaanderen-Nederland heb ik ook aan thema’s als handel en welvaart mogen werken, maar dan op basis van een intrinsieke motivatie – zonder hier op financieel vlak iets aan over te houden. Ik heb mijn best gedaan om eurosceptici indirect tegen te spreken door mooie Europese projecten, bijvoorbeeld op het gebied van technologische innovatie, energie en milieu een beetje aandacht te geven. Alle projecten binnen Interreg Vlaanderen-Nederland kunnen uiteindelijk bijdragen aan de veiligheid, handel en welvaart, maar alleen omdat ze gedragen worden door mensen die in eerste instantie voorbij grenzen en directe economische belangen denken.
 
Tielen vindt dat we solidariteit beter aan de EU lidstaten kunnen “overlaten”. Wat dat precies betekent weet ik niet. Solidariteit ligt niet in handen van staten en politici. Het bestaat enkel in de harten en gedachten van individuen en gemeenschappen. Als overheid kun je ervoor kiezen om burgers hierin te stimuleren of te demotiveren. Juncker kiest in dit geval voor dat eerste: zijn initiatief voor een solidariteitskorps stimuleert en faciliteert. De Nederlandse politici vermeld in onderstaand artikel kiezen voor dat laatste. Een gemiste kans, lijkt me.
 
Welke politieke strategie er ook achter het korps ligt: voor mij (en andere enthousiaste jongeren die zich wél aanmelden) heeft deze ervaring niets met natie-staten of soevereiniteit te maken. Juíst niet. Misschien is dat wat nationale politici zo tegen de borst stuit? Het was voor mij puur een kans om kennis te vergaren en praktijkervaring op te doen in een maatschappelijk betrokken omgeving.
 
Soms ontstaan er mooie ideeën bij de nationale overheid, soms bij de gemeenten of regio’s, soms bij burgers, soms op Europees niveau. Die ideeën kunnen enkel groeien als we kritisch blijven, maar ook enthousiast samenwerken. Eén ding heb ik tijdens mijn werkzaamheden binnen het korps zeker geleerd: gekonkel tussen overheidsorganen komt de burger nooit ten goede. Een actievere en positievere houding van Nederlandse politici (en media) naar Nederlandse jongeren die graag blijk willen geven van een gevoel van wederzijdse solidariteit zou dit project al een stuk verder op weg helpen.

Waterstof tanken en patiënt-specifieke heupimplantaten – 2018 wordt alleszins een grensoverschrijdend jaar

In 2017 hebben ruim 40 Interreg-projecten in de Vlaams-Nederlandse grensregio gewerkt aan slimme, groene en inclusieve groei. Hiermee anticipeert en reageert het programma Interreg Vlaanderen-Nederland op de grote maatschappelijke uitdagingen van onze tijd. Begin januari is het tijd om na te denken over voortlopende uitdagingen en behaalde successen, maar vooral ook om enthousiast naar de toekomst te kijken. Wat leert 2017 ons en hoe kijken we naar 2018? Bram de Kort, algemeen directeur van het programma, heeft zin in 2018. “We gaan dit jaar heel wat mooie, tastbare resultaten zien,” verwacht hij. 

Het is een kunst om regio’s en steden niet enkel met een veranderende toekomst te laten meebewegen, maar ook hun capaciteiten om verandering in een positieve richting te sturen ten volle te benutten. In de EU wordt er in regio’s en steden geïnvesteerd via het cohesiebeleid. Dit beleid heeft als doel om de werkgelegenheid, de concurrentiepositie van ondernemingen, economische groei en duurzame ontwikkeling te ondersteunen en de levenskwaliteit van burgers te verbeteren. Binnen de budgetperiode 2014-2020 wil de EU bijvoorbeeld tot minder dan 10% voortijdige schoolverlaters komen, een gemiddelde werkgelegenheid bereiken van tenminste 75% en een vermindering van broeikasgassen in de EU van 20% realiseren ten opzichte van 1990. Om samen met regio’s en steden deze doelstellingen te behalen is 351,8 miljard euro gereserveerd. Dit is bijna een derde van de totale EU-begroting. Interreg Vlaanderen-Nederland investeert een deel hiervan in grensoverschrijdende Vlaams-Nederlandse projecten, die ieder op regionaal niveau bijdragen aan bovengenoemde doelen.

Interreg Flanders the Netherlands region
Het programmagebied van Interreg Vlaanderen-Nederland 

De grensregio is verbonden met wereldwijde veranderingen en uitdagingen. De Kort ziet het terugtrekken van de VS uit het klimaatakkoord van Parijs als de tegenvaller van 2017. “Even ontstond het schrikbeeld van een ‘terugkeer-van-nooit-weggeweest’ van vervuilende industrieën. Niet enkel in de VS, maar ook in andere landen, vooral in Oost-Azië, waar de vrees kan ontstaan dat de VS concurrentievoordeel zouden kunnen halen uit het zich niet hoeven te conformeren aan de omslag naar een duurzame economie.” In het programmagebied Interreg Vlaanderen-Nederland wordt klimaatverandering steeds tastbaarder. Het toenemende verkeer in de grensregio draagt bij aan global warming, maar lijdt er ook onder. Hagelstormen, zware regenbuien en sneeuwstormen lagen het afgelopen jaar vaak ten grondslag aan de vastgelopen wegen. Files op de Vlaamse en Nederlandse wegen waren in 2017 niet alleen langer dan ooit, ze traden ook steeds vaker op buiten de spitsuren. Het zal veel weggebruikers dan ook verbazen dat Vlaanderen en Nederland door een hoge bevolkingsdichtheid toch een relatief waterschaars gebied vormen. Daarvan zijn de regionale industrieën en boeren, die in 2017 opnieuw stuitten op een tekort aan bruikbaar grond- en oppervlaktewater, zich zeker bewust. De warmterecords en sneeuwstormen zijn vooral ook lastig voor ouderen, die in het vergrijzende Vlaanderen en Nederland een steeds groter deel van de bevolking vormen. Maar klimaatuitdagingen sijpelen ook op minder directe wijze naar andere sectoren door. Zo bleek afgelopen oktober uit een studie van de KU Leuven dat de Belgische tongpopulatie, toch al onderhevig aan een sterke visserijdruk, door klimaatverandering een sterke afname tegemoet gaat. Wie stilzittend toekijkt, speelt niet meer mee.

Community2
De Kort opent het community-building evenement ‘Energie & Gebouwen’ 

De noodzaak om onze maatschappij en economie steeds weer toekomstbestendig te maken lijkt over het afgelopen jaar dieper tot het collectief bewustzijn te zijn doorgedrongen. Volgens De Kort realiseren ondernemers en aandeelhouders zich steeds meer dat er juist kansen liggen in de groene economie. “De reactie van Europese en Chinese beleidsmakers op Trumps klimaatuitstap is bemoedigend,” vindt hij. “Op onze schaal zien we hetzelfde: er zijn veel nationale, regionale en lokale overheden en ondernemers die zich niet te veel aantrekken van een stuiptrekking als die van de Amerikaanse president. Zij ruiken hun kans om als eerste een kostenvoordeel te halen uit de verduurzaming van transport, energie of productie.”

Het Interreg-project 2B Connect is een sprekend voorbeeld van deze ontwikkeling. Binnen dit project krijgen bedrijven de kans om hun terrein te vergroenen door biodiversiteitsingrepen toe te passen. Dit gebeurt bijvoorbeeld door de aanleg van een poeltje, bepaalde bloemen of een vleermuizengrot. Zo versterkt het project de grensoverschrijdende ecologische structuur en realiseren bedrijven een aantrekkelijke werkplek. “Je zou denken dat de initiatiefnemers van zo’n project stad en land moet afreizen om ondernemers geïnteresseerd te krijgen om te investeren in dat soort ingrepen. Het tegendeel blijkt het geval, ondernemers staan in de rij!” Ook in projecten als Demi More, SEE2DO! en Grenspark Groot-Saeftinghe ervaart De Kort dat steeds meer mensen op lokaal niveau inzien dat het collectieve voordeel van een gezonder milieu volledig in lijn ligt met hun individuele noden of wensen. “We zijn er nog lang niet, maar we zijn op de goede weg en het is mooi om te zien dat we met Interreg daartoe een bescheiden bijdrage kunnen leveren.”

Zelf is De Kort in 2017 vooral geïnteresseerd geraakt in de opkomst van artificiële intelligentie, zeker in combinatie met big data, machine learning, automatisering en robotisering. Hij ziet ook op dit vlak mogelijkheden en risico’s voor de grensregio. “Het ene moment zie je een toekomst voor je waarin alles ontzettend slim en efficiënt geregeld wordt, maar het andere moment vraag je je af wat de mens nog moet doen als machines alles beter kunnen.” Het World Economic Forum roept 2017 uit tot het jaar van de artificiële intelligentie (AI). Het Forum ziet zeker voordelen in de AI-ontwikkelingen, maar waarschuwt onder anderen voor het risico op een toename in de werkloosheid. Volgens NV Tyagarajan, CEO van Genpact, is het daarom van cruciaal belang om overheden, bedrijven en werknemers te betrekken bij het inclusief maken van AI. Zijn boodschap: omarm de technologie, maar creëer bewust kansen voor iedereen in het tijdperk ‘Man + Machine’. Volgens De Kort is het ook in de grensregio tijd om na te denken welke vooruitgang we als maatschappij willen en waar de overheid zou moeten bijsturen. “Binnen Interreg investeren we in de competenties van mensen en hun kansen op de arbeidsmarkt,” licht hij toe. “We hebben het niet zomaar over groei, maar streven bewust naar inclusieve groei. Projecten als Grenzeloos Biobased Onderwijs, Skills Navigator, Train4SmartServices en Educavia leggen de verbinding tussen een innovatieve economie en kansen voor mensen om daarbinnen een belangrijke rol te kunnen blijven spelen.”

In het afgelopen jaar hebben de Vlaams-Nederlandse samenwerkingsprojecten allerlei sectoren verfrist en versterkt. Begin 2017 ging bijvoorbeeld SYN-ERGIE van start, dat inzet op synchromodaal vervoer om het goederentransport tussen het oosten en westen van de grensregio te verduurzamen. Binnen het project Waterstofregio 2.0 werd in 2017 ook geïnvesteerd in de verduurzaming van regionaal transport, bijvoorbeeld door het aanleggen van waterstoftankstations. Om in te spelen op de vraag naar duurzame visteelt hebben de partners van het project AQUAVLAN 2 zich in 2017 onder andere aquacultuur-opleidingen georganiseerd. Voor boeren en industrieën die steeds vaker te maken hebben met langdurige droogte zoeken de projecten IMPROVED en F2AGRI  naar oplossingen. Bij IMPROVED is in 2017 een mobiele waterzuiveringsinstallatie getest die restwater zuivert tot de vereiste kwaliteit voor een bepaald industrieel proces. Binnen F2AGRI zijn er over het afgelopen jaar tientallen boeren verenigd in een coöperatie waarbinnen restwater uit nabijgelegen industrieën benut wordt via een water-verdeelsysteem of irrigatienetwerk.

Ook de zorgvraag in de Vlaams-Nederlandse grensregio verandert snel. De Vlaamse provincies Antwerpen en Limburg en de Nederlandse provincies Zeeland en Limburg vormen de snelst verouderende gebieden van de Benelux. “Door de vergrijzing ontstaat druk op ons zorgsysteem,” licht De Kort toe. “Voor mij zijn de meest fascinerende projecten die op dit moment gefinancierd worden door Interreg, en dus Europa, dan ook de ‘life sciences projecten’. Ik denk bijvoorbeeld aan Prosperos, waarin nieuwe patiënt-specifieke implantaten voor rug en heup ontwikkeld worden. Deze implantaten versnellen het genezingsproces en helpen het lichaam om zelf beschadigd of verwijderd weefsel te regenereren.” Andere voorbeelden van projecten op het gebied van de gezondheidszorg zijn Biomat on Microfluidic Chip, CrossCare en I-4-1 Health. Binnen CrossCare zijn in 2017 weer nieuwe zorginnovatietrajecten gestart, waarbij onder anderen de onderdiagnose van slaap apneu wordt aangepakt. België alleen al verliest zo’n €1 miljard aan kosten die geassocieerd worden met de onderdiagnose van apneu. Dit deelproject heeft daarom als doel een toestel te ontwikkelen, niet groter dan een muntstuk, dat de aandoening snel en eenvoudig kan vaststellen op basis van signalen zoals hartslag. En zo worden er in CrossCare tientallen zorginnovaties gerealiseerd.

Vanaf 2018 zullen veel projecten concrete resultaten gaan opleveren, verwacht De Kort. Op de agenda staat bijvoorbeeld de opening van een vernieuwd waterstoftankstation in Halle, Vlaams-Brabant. Waterstofvoertuigen zijn emissievrij en veroorzaken geen geluidsoverlast. Hun actieradius en tanksnelheid ligt dicht bij die van conventionele voertuigen. Zolang waterstof wordt geproduceerd zonder gebruik van aardgas, bijvoorbeeld op basis van zonne- of windenergie, is het dus een duurzaam alternatief voor fossiele brandstoffen. Samen met tankstations in Antwerpen, Breda en Helmond zal dit station het openbare netwerk van tankinfrastructuur in de Benelux uitbreiden. “Binnen Waterstofregio 2.0 heb ik de inspanningen van projectpartners van nabij mogen ervaren,” deelt De Kort. “Het duwende bedrijf binnen dit project concludeert dat investeren in waterstof niet enkel het milieu, maar ook de eigen marktpositie ten goede komt. Het project wordt bovendien gesteund door een gemeente die volop helpt om zo’n waterstoftankstation effectief van de grond te krijgen. Ze redeneren, wat mij betreft terecht, dat de nieuwe economie er komt en je dan maar beter in de cockpit kan zitten.”

Kunnen we nog meer van 2018 verwachten? Zeker. Alle lopende Interreg-projecten gaan door met het verder ontwikkelen en testen van hun respectievelijke innovaties. Er wordt veel gedaan op het gebied van demonstraties, zowel aan ondernemers als aan overheden en burgers. SYN-ERGIE organiseert bijvoorbeeld ‘serious games’, waarin ondernemers en medewerkers in het logistieke veld worden uitgedaagd om deel te nemen aan een spel dat de voordelen van synchromodaliteit introduceert. Zich inlevend in de rol van een logistiek planner, krijgen de spelers na iedere ronde hun scores op het gebied van kosten, CO2 emissies en klanttevredenheid te zien. SEE2DO! hoopt door middel van demonstraties van straatscans, woningscans en luchtfoto’s overheden en burgers te overtuigen van de noodzaak om energiebewust te renoveren. De straatscans die afgelopen jaar in Kortemark, Oostkamp en Lo-Reninge gemaakt werden, zullen in 2018 richting de burger worden gebracht. Daarnaast zullen leerlingen van het Technisch Atheneum Keerbergen komend jaar nieuwe woningscans maken in de omgeving van Mechelen en Keerbergen. Scholieren en studenten zullen bovendien bij meerdere Interreg-projecten betrokken worden. Bij Revivak ontdekken leerlingen via Virtual Reality wat de job van een ambachtsman in de bouw- en renovatiesector precies inhoudt. Via leer-werkplekken kunnen de leerlingen opgedane kennis ook in de praktijk brengen, bijvoorbeeld bij de restauratie van een monumentale schuur in Raamsdonk.

Het programma Interreg Vlaanderen-Nederland V loopt tot 2020 en opent in 2018 nog een vierde oproep voor nieuwe projectaanmeldingen. “Dat wordt weer spannend,” vindt De Kort. “Uit tientallen fascinerende ideeën zal ons Comité van Toezicht de beste projectvoorstellen selecteren. Een nieuwe garde projecten die onze grensregio slimmer, duurzamer en inclusiever maken, zodat iedereen kan profiteren. Het draait allemaal om thema’s waarin Vlamingen en Nederlanders elkaar kunnen aanvullen. Zo zal de grens tussen Vlaanderen en Nederland in 2018 weer iets meer poreus worden. Grenzen zijn de ‘littekens van de geschiedenis’, maar ook littekens kunnen vervagen…”

Taking open borders to the next level

You can find a summary of this article in DG Regio’s Panorama No. 63 

My uncle and aunt just returned from a road trip along the wildly beautiful coast line of northern Spain. While their original plan was to travel from Bilbao to Porto, keeping things Spanish turned out to be the easier alternative. Overcoming the legal and administrative nightmare of picking up a rental car in one of the Iberian states and returning it in the other was not how they decided to spend their holidays. For them, this cross-border obstacle was a new and temporary inconvenience of minor importance. For others, these issues are a daily reality.

On 20 and 21 September 2017, the European Commission hosted an event to present its brand new Communication: ‘Boosting Growth and Cohesion in European Border Regions’. The event was held in the charming Châtelaine or Kastelijn area in Brussels. Apart from the convenience of having many European institutions nearby, Brussels meets more criteria for hosting an event about border regions than one might expect from a capital city. Located in the heart of a country with possibly more tangible internal than external borders, the city’s multilingualism reminds us of the effects that past and present borders can have on daily life. For two days in a row, this scenery provided the setting for a get-together of European policymakers, experts and stakeholders who wish to draw attention to border regions. I attended this event as a European Solidarity Corps volunteer to share my enthusiasm for Interreg Volunteer Youth (IVY), an initiative that connects young European volunteers to Interreg programs and projects.

I have three main thoughts about the Communication. First of all, spending about as much time in Belgium as in the Netherlands, I am happy with the Commission’s renewed commitment to European border regions. Administrative and legal differences between states complicate everyday life even in our unilingual region. Nevertheless, volunteering as an IVY reporter for Interreg Vlaanderen-Nederland, I have noticed a lack of attention for Interreg programs after 2020. I believe that these programs can continue to contribute to regional integration by exploiting their vast networks of project partners to identify legal and administrative barriers between states. Interreg could well contribute to public appreciation of the EU in general. Not only because the programs stand close to the public, but also because they deliver concrete results within relatively short periods of time. They connect border regions to Europe. Finally, as a European Solidarity Corps volunteer, I miss a youth-specific dimension to the Communication. Young Europeans growing up in border regions are experts on the ‘cross-border way of life’. Consequences of border obstacles affect their future particularly harshly. While the Commission has proposed actions that will most likely improve the quality of life of young border citizens, it remains unclear to me how youth will be included in policy-making processes. IVY could serve as a great mediator between border region youth and policymakers.

Let me expand a bit on each of these thoughts.

European Border Regions – what’s at stake?

 There is no continent with as many internal borders as Europe. Border regions cover 40% of the EU territory and account for 30% of the population. While every region is unique, border regions have in common that buzzing capital cities are often blind to their specific issues. It is not without reason that the Commission has now presented a Communication that specifically addresses border-issues. All European citizens have the right to move, work, study or use services in other EU countries. These rights are especially important for border communities. Invisible as borders may be, however, Europe is still fragmented by administrative, legal, political and psychological barriers. These complexities do not just cost time and money, they compromise the freedom of citizens to carry out their citizenship. The Communication highlights a few striking examples:

“Firefighters can be made to wait at the border before being allowed to go and help their colleagues on the other side. In several Member States restrictions apply for ambulances to take patients across the border.”

“Companies doing business across borders spend 60% more than businesses operating domestically to carry out key procedures, mainly because of additional translation and certification costs.”

“A person who suffered a work-related accident in Sweden could not receive rehabilitation care at home in Denmark because of incomplete mutual agreements in the social security systems of the two countries.”

Clearly, borders still affect the daily lives of Europeans in many different ways. The Commission does not always have the competence to tackle these issues by itself. It needs support and active participation from Member States and regional actors. A top-down policy formulated by a single actor would miss the point. Each region is unique in terms of challenges as well as political organization. Therefore, the Commission has decided to interpret its Communication as a ‘toolbox’ to facilitate interaction among local, regional and national actors. The tools it presents are inspired by previous cases of successful cross-border cooperation. Think about the establishment of a system of mutual recognition of qualifications in the Benelux countries and North-Rhine Westphalia. Recent cooperation between Belgian and French health care providers permits Belgian patients to receive dialysis treatment 3km from home, in France. Before, patients used to travel 200km three times a week to receive similar treatment from a Belgian provider. These cases demonstrate that border challenges can be transformed into opportunities. The ‘toolbox’ combines lessons-learned from these examples with new studies and public consultations. As such, it can help border communities overcome obstacles in the future.

Inspiring speeches, promising words

It is time to act. That was the message of all speakers present on 20 September. The event was opened by Commissioner Crețu for Regional Policy. She highlighted the difficulties that many inhabitants of border regions face if they wish to interact with fellow citizens across the border. The current Communication, she expects, can simplify life along the border. Referring to President Juncker’s State of the Union speech, she underlined that “there can be no second class citizens in the EU” and that “like all European citizens, inhabitants of border regions must be able to make use of their rights and freedoms.” The Commissioner was followed by Mr. Lambertz, President of the European Committee of the Regions. He confirmed his appreciation of the Communication: “this is a practical document with hands-on suggestions, based on in-depth knowledge of the situation in border regions”. He furthermore stressed the importance of cohesion policy in general and pleaded for its continuation after 2020.

The introductory session was continued with a personal anecdote coming from Mr. Lenaers, MEP for the Dutch Christian Democrats. Lenaers: “I was born in the most beautiful village in the Netherlands, 200m from the Belgian border, 30km from the German one. I am the result of a cross-border marriage. So I have a natural affection for the topic.” He warned us for the false romanticization of closed borders. “The history of my village revolves around the smuggling of simple products. Having opened our borders, there is no more need for such practices. We cannot let voices who want to return to these times become dominant in EU politics,” he argued with fervor. Appreciative of what has already been achieved to remove Europe’s internal borders, he remains critical of the current situation. Open borders to him sometimes feel like a paper reality. People still face too many administrative, legal and social obstacles around borders in their daily routines. “We have to overcome these complexities to erase borders from the hearts and minds of people,” he concluded.

The new Communication aims to achieve this through several action points. The Commission will establish an online professional network where legal and administrative border issues and solutions can be presented and discussed between stakeholders. Before the end of 2017, it will launch an open call for pilot projects by public authorities wishing to resolve one or more border-specific legal or administrative issues. Up to 20 projects will be selected as demonstrations for future reference. Furthermore, the Commission will intensify research on cross-border impacts and provide expertise to Member States. The Commission also suggests Member States increase their effort to digitalize government facilities and continue its own e-government projects. For example, it has recently proposed a Single Digital Gateway, which will provide easy access to information, administrative procedures and assistance services. Other suggestions made to national and regional authorities include the promotion of border multilingualism, the reinforcement of cooperation between employment services, and investment in further integrated public transport services. On this last note, the Commission itself will deliver a study on missing rail-links in 2018. By that same year, it intends to share a comprehensive overview of EU cross-border health cooperation. All these steps will be coordinated and facilitated by a ‘Border Focal Point’ within the Commission. This focal point will soon become operational.

Soon is too late for some international spirits who already think and act beyond borders. Erik Joosten, Founder and CEO of Arion, truly sparked the imagination of the audience with his story. Situated in the Dutch province of Limburg, his company is better connected to cities in Germany and Belgium than to the rest of the Netherlands. When trying to interact with neighboring markets, however, Joosten often found himself limited by administrative burdens and a general sense of closed-mindedness coming from each side of the border. In his experience, it is harder to overcome the fear of border-issues than to actually solve these issues themselves. “We cross the border every weekend for shopping or recreation, but when we put on our suits we all face the Hague or Berlin,” he noted at the event. Arion decided to challenge this introverted behavior. An unconventional idea came to mind: their new office had to be built exactly on the German-Dutch border. The construction, and above all, the paperwork before the construction, was anything but easy. Finding consensus on safety regulations proved to be particularly burdensome. “In case of a fire, Dutch fire brigades need you to be able to close the roof to prevent oxygen from coming in. In contrast, German laws require a roof that can open, so that the smoke can escape,” Joosten exemplified. But Rome wasn’t built in a day. Armed with determination and a good dose of optimism, Arion eventually succeeded at constructing a cross-border company site. “For every issue we ended up selecting the safest construction method. You really have no idea how safe this building is,” Joosten playfully said. The new location delivers some practical advantages too. Staff can be put on both Dutch and German payrolls, for example. More importantly, however, Arion’s story is food for thought for policymakers. A remaining piece of the Berlin wall rises from the company grounds to symbolically contrast the firm’s international mindset. In the end, Joosten believes that this expensive adventure has been worth every penny. He hopes that his story will lead to further simplification of cross-border entrepreneurship.

The Commission did well to include this story in the Conference’s program. Its spirit truly captivates the valuable philosophy behind the new Communication: vision, will-power and dialogue can turn border obstacles into opportunities.

Interreg and IVY: social capital for border regions

 While the Commission will take some concrete steps to overcome border region obstacles, the challenge ahead rests on the shoulders of many actors. Writing from the perspective of IVY, I have noticed that the future of Interreg is not reconfirmed in the current Communication. It seems from the Conference that the Commission questions the ability of Interreg programs to contribute to a reduction of administrative and legal border issues. Ms. Andersson Pench from DG Regio explains: “We look forward to continue working with Interreg programs, but we have to see their added value at an EU level. We will need to think about how to gear these programs for the future. How can they help us remove border obstacles?”

Here lies a great challenge and opportunity for Interreg. I believe that Interreg programs can play a large role in identifying and specifying administrative and legal obstacles. They could share best practices too. Being in touch with many cross-border projects, Interreg programs collect cross-border experiences directly from the source. Regional authorities, entrepreneurs and scientists are often already connected through Interreg, but they are not always aware of this. I expect that innovative solutions can be achieved by means of cross-fertilization of existing knowledge hidden in these networks. A great example is the Dutch-Flemish project DEMI MORE, which has the ambition to develop an internationally applicable norm to evaluate the energy-efficiency of monuments. This could strengthen market competitiveness of monuments across borders. The project works with an already existent environmental assessment method, called BREEAM. In the Netherlands, the Dutch Green Building Council is responsible for adjusting BREEAM to national legislation. The project therefore closely cooperates with this agency. Such an agency does not exist for the Belgian market. Project partners have therefore decided to first develop a Dutch norm for monuments and subsequently use this process as a model for the Belgian case. Given the different legal and administrative contexts in both states, this project will deliver valuable information about cross-border barriers and how to overcome them. Interreg Vlaanderen-Nederland monitors and analyzes the developments made within this project. It has a great overview of best practices and solutions to specific problems.

During the short time that I have been volunteering at the Joint Secretariat in Antwerp, I have noticed that a lot of synergy exists between the projects within this one Interreg program. Just imagine the added value that could come about when all these projects come together at a European level and exchange experiences in thematically organized clusters. While a lot of data is already collected in the KEEP database, the Commission’s proposed online professional network could well facilitate a constant exchange of best practices.

Interreg can generate enthusiasm for European regional policy as its innovative projects reach communities directly. Renovated buildings, protected nature reserves, improved infrastructure – these are all tangible results of Interreg programs that improve the quality of life in cross-border regions. But simply placing an EU flag on static information boards won’t do the job. People should be able to ‘grow’ along with Interreg programs and experience how opportunities are created relating to different aspects of their lives. Education and mobility opportunities are being created for students of all ages, while open innovation can support young entrepreneurs. Nature parks provide recreational options for families, while health care innovations address problems coming with our ageing population. Such connections can be illustrated through visually appealing campaigns, like digital posters, informal blogs, or personal visits to schools, universities or other public institutions. Given that each Interreg program focuses on the challenges in one specific region, the investment strategy for that region is tailor-made. This gives the program a very personal character. Through Interreg, people living on each side of the border learn that they share responsibilities and interests with their foreign neighbours and can achieve great things by means of cross-border cooperation.

IVY is a one initiative that can boost public awareness of Interreg programmes, especially by involving youth in Europe’s path towards truly open borders. It allows young people from border regions (and beyond) to contribute to regional development or disseminate information about EU investments in border regions. Interreg Project Partners (IVY) are volunteers that are directly involved with one specific Interreg project. They perform hands-on work and witness the development of the project from within. As such, they are aware of all of the cross-border obstacles that these projects try to overcome. Interreg Reporters (IVY) perform a broader, more journalistic task. Their aim is to collect and spread information about one Interreg program, working from a Management Authority or Joint Secretariat. Reporters can go on project visits or use data collected by Project Partners to develop and share regionally relevant stories with a personal touch. They give Interreg (and therewith EU regional policy) a face. Finally, all the IVY volunteers together form a network of ambitious and engaged young citizens who develop knowledge and passion about cross-border regions through their IVY experience. Like Interreg, IVY generates social capital for border regions.

United in diversity

I volunteer because I believe that actively demonstrating European solidarity is a great way of generating mutual understanding among European communities. In contrast, cross-border obstacles push people back into their own corners. The current Communication tries to build bridges across borders with hands-on suggestions, such as its online professional network. The two-day conference in September helped create a common vision among local, regional and national policymakers and other stakeholders, like myself. Now is the moment for all of these actors to speed up and intensify their efforts to overcome border issues. Interreg will continue to support cross-border projects on a day-to-day basis. Together with its youth-branch, IVY, it generates social capital that can identify border obstacles and stimulate the necessary collective action to overcome these obstacles. Interreg networks can become especially fruitful when combined with the practical tools suggested in the Communication. With sufficient political will and the Commission’s ‘toolbox’, Europe can exploit existing resources to take open borders to the next level. Truly open borders permit the emergence of multilingual and culturally diverse communities, in which people from different states come together to pursue shared interests and carry shared responsibilities. As such, border regions can become powerful symbols of the EU’s motto: united in diversity.

Eten in de grensregio: een vruchtbare toekomst

Van boomgaard tot appeltaart: er wordt in Vlaanderen en Nederland heel wat voedsel geproduceerd en genuttigd. Maar hoe toekomstbestendig zijn onze eetgewoonten? Interreg Vlaanderen-Nederland investeert in innovatieprojecten die werken aan een gezonde, duurzame en rendabele voedselindustrie. 

Toen de hertogen van Bourgondië omstreeks 1400 een groot deel van de Nederlanden regeerden, bestempelden zij met hun uitbundige levensstijl het hedendaagse Vlaams-Nederlandse grensgebied voorgoed tot regio van de levensgenieters. Anno 2017 worden inwoners van de Zuid-Nederlandse en Vlaamse provincies nog altijd geprezen om hun Bourgondische passie voor eten en drinken. Hoewel dit cliché de tand des tijds heeft doorstaan, is de voedselmarkt in bijna alle opzichten veranderd. De menselijke consumptiemachine is meegegroeid met landbouwinnovaties, industrialisatie, kolonisatie, wereldhandel en de opkomst van de verzorgingsstaat. De meest exotische kruiden komen vandaag uit Zaandam, tomaten uit Mexico. Bovendien kennen we van vrijwel al onze maaltijden en midnight-snacks de ingrediënten en voedingswaarden en weten we dat ze aan de algemene gezondheidsnormen voldoen. De Vlaams-Nederlandse keukenkastjes staan vol met smaakvolle wetenschap.

Voedselinnovatie in een EU van regio’s

Toch bestaan er nog veel maatschappelijke vraagstukken met betrekking tot de voedselindustrie. Voedselzekerheid en verduurzaming van de voedselmarkt zijn belangrijke onderdelen van Horizon2020, het onderzoeks- en innovatieprogramma van de EU. We willen graag dat Europese voedselproducenten competitief zijn op de wereldmarkt, maar verwachten ook dat ze gezonde voeding produceren en oog hebben voor natuur en klimaat. Daarom financieren Europese fondsen onderzoek naar alle fases binnen de voedselproductieketen: van productie en verpakking tot afvalverwerking en bijproductwaardering. De Europese voedselmarkt kent verschillende gezichten in verschillende regio’s. Zo is in Vlaanderen en delen van Zuid-Nederland de glastuinbouw groot, maar staat de kweekvissector nog in de kinderschoenen. Door op regionaal niveau te investeren in innovatie hoopt de EU uitdagingen als overbevissing en klimaatverandering aan te gaan met oog voor de diverse sociaaleconomische structuren van haar regio’s.

Vanuit het hedendaagse hart van de Bourgondische Nederlanden investeert het Europese programma Interreg Vlaanderen-Nederland in innovatie binnen de regionale voedselmarkt. Sommige Interreg-projecten houden zich direct bezig met ons eten, anderen leveren op indirecte wijze een bijdrage. De projecten brengen producenten, kennisinstellingen en overheidsorganisaties van weerszijden van de grens bij elkaar om innovaties te ontwikkelen en door te voeren. Ze haken in op verschillende punten in de productieprocessen van een breed scala aan voedingsproducten. Zo wordt er gewerkt aan bodemverbeteraars, duurzaam gekweekte vis, bio-gebaseerd verpakkingsmateriaal en bij-vriendelijke fruitplantages.

Uitdagingen en innovatie in de Vlaams-Nederlandse grensregio

Een van de sectoren die Interreg Vlaanderen-Nederland ondersteunt is de aquacultuursector. De visteelt in Europa stagneert en ook in de grensregio hebben ondernemers moeite om staande te blijven in een zeer competitieve wereldmarkt. In de periode van 2009 tot 2014 onderzocht het project ‘AquaVlan’ daarom hoe de regionale visteelt uitgebreid en verduurzaamd kon worden. De partners ontwikkelden een systeem waarbij restenergie van de glastuinbouw gebruikt kon worden voor het verwarmen van kweekbassins. Investeringen in onderzoeksinfrastructuur hebben geleid tot de duurzame kweek van twee vissoorten, de Omegabaars en de Yellow Tail Kingfish, evenals een optimalisatie van de teelt van zilte groenten en zeekraal. Sinds 2016 zet ‘AquaVlan2’ de trend voort. Dit project ontwikkelt bijvoorbeeld een alternatief voor vismeel, waardoor visvoederbedrijven minder afhankelijk worden van de sterk fluctuerende vismeelprijs.

In een andere sector zijn Vlaanderen en Nederland koplopers: de insectenteelt. Insecten kunnen afvalstromen omzetten in waardevolle voedingsstoffen, zoals proteïnen en vetten. Ze hebben weinig ruimte nodig en produceren bovendien geen broeikasgassen. Het zijn daarmee de ideale partners in de zoektocht naar een duurzamere en toekomstbestendige voedselindustrie. Aangezien niet alle EU-lidstaten weg zijn van het idee van insectenconsumptie, vindt Interreg-project ‘Entomospeed’ het belangrijk dat Vlaanderen en Nederland elkaar in deze sector versterken. Door de markten aan elkaar te verbinden en de verschillende wetgevingen naast elkaar te leggen wordt de afzetmarkt voor toekomstige producten vergroot. ‘Entomospeed’ ontwikkelt een centraal infoloket voor betrokken bedrijven en begeleidt hen bij hun zoektocht naar een afzetmarkt.

Hoewel de kweekvis- en insectensector relatief weinig fysieke ruimte nodig zullen hebben, blijft het Vlaams-Nederlandse landschap toch gekenmerkt door haar groene vergezichten met melkkoeien en fruitboomgaarden. Maar ook tradities evolueren. De landbouwproductie per hectare nam de afgelopen decennia enorm toe, ten gevolge waarvan de bodemkwaliteit is gekelderd. Interreg-project ‘Leve(n) de Bodem’ moedigt daarom een transitie aan in het denken en doen van landbouwondernemers. Het project verbindt Vlaamse en Nederlandse ondernemers en kenniscentra om via onderzoek en experimenten tot een optimalisatie van de bodemgezondheid te komen. Dit is onder anderen relevant voor de vele Nederlandse en Vlaamse fruitboomgaardhouders. Die krijgen er binnenkort bovendien een handige tool bij: het project ‘Intelligenter fruit telen’ ontwikkelt een online instrument waarmee fruittelers kaartgegevens van eigen percelen kunnen raadplegen met informatie over bijvoorbeeld gewasontwikkeling, fruitproductie, ziektedetectie, bodemstructuur, of het bodemvochtgehalte. Voor die optimale fruitteelt is de aanwezigheid van een gezonde bijenpopulatie wel cruciaal. ‘Meer natuur voor pittig fruit’ is een project dat daarom telers stimuleert om naast honingbijen ook wilde bijen aan te trekken. Inmiddels zijn meer dan 100 telers bij deze missie betrokken en ontstaat er meer dan 500 hectare aan bij-vriendelijk gebied. Dankzij ´Growing a Green Future´ kunnen de vruchten in de toekomst bovendien de markt op in bio-gebaseerde en lokaal geproduceerde verpakkingen.

apples-1004886_960_720

Water- en voedselverspilling

Ook externe veranderingen oefenen druk uit op de regionale landbouwsector. Door klimaatverandering kampen veel boeren met verdrogingsproblematiek. ‘F2AGRI’ zet zich daarom in om industrieel gezuiverd afvalwater ter beschikking te stellen voor akkers van land- en tuinbouwers. Een grote bierbrouwerij en een groenteverwerkend bedrijf koppelen hun afvalwater aan een verdeelsysteem en irrigatienetwerk. Dit levert zeker 120 landbouwers, verenigd in een coöperatie, zuiver water op in droge tijden. Naast het verminderen van waterverspilling is ook een minimalisering van voedselverspilling een Europees doel voor 2020. Het project ‘Triple F: Food from Food’ ontwikkelt een overzicht van vraag en aanbod met betrekking tot het hergebruiken van reststromen uit de consumptie. Zo kunnen onbenutte wortels, bieten en aardappelen in Nederland en prei, tomaten en witlof in België een herbestemming vinden door gedroogd, gevroren of verhit te worden. De 80 tot 100 kiloton preiresten die jaarlijks op het veld blijven liggen na het oogsten zitten boordevol inuline, zwavelcomponenten, polyfenolen en eiwitten. Onder het mom van ‘afval bestaat niet’, kan die potentie straks ten volle benut worden.

Om ook in de toekomst te kunnen blijven genieten van hun eet- en drinkcultuur zullen de Bourgondiërs hun voedselmarkt constant moeten innoveren. De projecten binnen het programma van Interreg Vlaanderen-Nederland duwen de lokale voedselindustrie in de richting van de Europese ambities voor 2020 en daarna. Door nieuwe beroepen te ontwikkelen en bestaande sectoren te verfrissen kunnen we straks duurzamer en gezonder eten. Bovendien blijven producenten uit de grensregio door hun efficiënte en duurzame technieken onderscheidend in de wereldmarkt. Zo kan de rest van de wereld ook iets meepikken van het grensoverschrijdende, Bourgondische gedachtengoed.

Vlaams-Nederlandse energieprojecten vormen duurzame community

Interreg-projecten hebben een gemeenschappelijke missie: werken aan de toekomst van de grensregio. Sommige projecten focussen op de gezondheidszorg,  anderen weer op thema’s als transport, voeding of energie-efficiëntie. Uit deze laatste categorie kwam gisteren een tiental projecten samen in het community-building evenement Energie & Gebouwen. De aanwezige partners gingen op zoek naar dwarsverbanden en mogelijkheden voor kennisuitwisseling. Zo hebben een aantal partners afgesproken tips uit te wisselen rond hun communicatiestrategieën. Het was een verbindende dag, met een grensoverschrijdend randje.

Interreg-Vlaanderen Nederland draagt op regionaal niveau bij aan de strategie van de EU voor slimme, duurzame en inclusieve groei. Deze prioriteiten zijn aan elkaar verbonden en versterken elkaar. Een investering in kennis en innovatie kan leiden tot een groenere economie waarin efficiënter met hulpbronnen wordt omgegaan en bovendien werkgelegenheid ontstaat. Energie-efficiëntie is een thema waarin deze prioriteiten samenkomen. De EU heeft als doel om voor 2020 aan een energie-efficiëntie van 20% te komen. Dat wil zeggen dat alle lidstaten via hun eigen strategieën moeten bijdragen aan een besparing van 20% op het primaire energieverbruik binnen de Unie ten opzichte van prognoses uit 2007. Tegelijkertijd is energiegebruik in gebouwen nog een van de belangrijkste oorzaken van COuitstoot in de grensregio. België en Nederland zijn binnen de EU zeker nog geen koplopers op het gebied van energie-efficiëntie. Daarom investeert Interreg in Vlaams-Nederlandse projecten rond het thema Energie & Gebouwen. Door krachten en kennis uit de gehele regio te bundelen kunnen grensoverschrijdende resultaten behaald worden, van nanotechnologie in zonnepanelen tot slimme uitwisseling van energiereststromen.

Zeker 10 Interreg-projecten werken aan innovaties op het gebied van energie-efficiëntie. DEMI MORE ontwikkelt bijvoorbeeld een duurzame energienorm voor monumenten terwijl PV OpMaat werkt aan geïntegreerde PV modules op glas of staal. Tijdens het community-building evenement werden de partners uitgedaagd om na te denken over mogelijke kruisbestuiving of leerkansen. Als directeur van het Interreg secretariaat opende Bram de Kort het evenement met woorden van verbinding: “Het grensoverschrijdende zit in ons bloed!” Samen met de partners hoopt hij niet enkel bruggen te bouwen tussen Vlaanderen en Nederland, maar ook tussen de projecten onderling.

Community2.jpg
Introductie door Algemeen Directeur Bram de Kort

Bij binnenkomst van de partners bleek al wel dat deze bruggen snel gebouwd zouden zijn. De deelnemers raakten direct met elkaar in gesprek. “Wij zijn op zoek naar informatie over zonnepanelen voor de typische dakpannen van de Brugse binnenstad,” sprak een deelnemer tot een partner in het project PV OpMaat, die haar hier zeker meer over kon vertellen. Andere betrokkenen gaven aan op zoek te zijn naar tips rond het betrekken van ondernemers als ambassadeurs van een project. Hiervoor werd direct een samenwerking tot stand gebracht. Veel deelnemers waardeerden vooral het persoonlijke, informele karakter van de bijeenkomst. “We lezen altijd wel de nieuwsbrief, maar nu kennen we de gezichten achter de activiteiten waarover we lezen,” gaf een deelnemer aan. “Het was vooral fijn om weer nieuwe contacten te maken,” bevestigde een ander. “Van een aantal projecten wist ik niet dat ze bestonden, terwijl we er eigenlijk heel wat overeenkomsten mee hebben.”

Met elkaar leveren de energiepartners een mooie bijdrage aan de leefbaarheid en klimaatvriendelijkheid van de grensregio. Vanuit hun missie bestond er tussen de projecten al een zekere verbondenheid voor het community building van start ging. Dit evenement heeft die verbondenheid wat concreter gemaakt. Het gaat binnen de Interreg-gemeenschap om meer dan enkel het delen van kaartjes. Elke geschudde hand staat symbool voor een uitwisseling van persoonlijke verhalen, ervaringen en ideeën. Bij vertrek sprak een van de deelnemers nog: “Werken aan de toekomst doe je niet alleen, maar door de handen ineen te slaan.”

We kijken uit naar de resultaten van alle projecten en zijn benieuwd naar de duurzame, grensoverschrijdende relaties die binnen het Interreg-programma nog gaan ontstaan.

Door Robbert van Tilborg (Interreg Reporter namens Interreg Volunteer Youth)

Europa Direct brengt wereldhandel dichter bij huis

Sinds een aantal jaar organiseert Europa Direct Oost-Vlaanderen in samenwerking met de Universiteit Gent openbare avondlezingen rond Europese vraagstukken. Europa Direct is een lokaal informatiecontactpunt van de Europese Commissie dat open staat voor iedereen. Een persoonlijke toegangspoort tot de EU, als het ware. Vergelijkbare contactpunten vind je ook in bijvoorbeeld  Brugge​ of Den Haag. Dit jaar was de toekomst van Europa het thema van de avondlezingen. Ik nam een kijkje bij de laatste sessie: een debat over de rol van de EU in het sturen van globalisering.

Wat willen we van en voor Europa in de toekomst? Die vraag stelde President Juncker van de Europese Commissie tijdens zijn Staat van de Unie in september 2016. Hij schetste meerdere scenario’s, maar gaf aan zelf voorstander te zijn van een Europa dat beschermt. L’Europe qui protège. Ook een sterkere handelspositie maakte deel uit van deze positieve agenda. “Als Europeanen hebben wij een open houding en drijven wij handel met onze buren, in plaats van oorlog met hen te voeren. Wij vormen ’s wereld grootste handelsblok, dat met 140 partners handelsovereenkomsten heeft gesloten of daarover in onderhandeling is.” Hoe combineren we de idealen van een solidair, beschermend Europa met onze ambities voor Europa als topspeler in de wereldhandel? Daarover ging de avondlezing in de Gentse Provincieraadzaal op 20 november. Prof. Olivier De Schutter en Tomas Baert, hoofd handelsstrategie bij de Europese Commissie, gingen in discussie.

futureofeurope

“Dit is zeker geen nieuw debat,”  begon Baert, “maar er komen steeds weer nieuwe punten om te bespreken.” Globalisering wordt veelal gezien als de drijfveer van sociale ongelijkheid. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de retoriek waarmee voorstanders van Brexit het publieke debat wisten te overheersen tijdens de weken voor het referendum. Toch denkt Baert niet dat het de handel zelf is waaraan moet worden getwijfeld: “Onze maatschappijen zijn als een paraplu, ze werken het best wanneer ze open zijn.” Naar verwachting zal 90% van alle economische groei komende jaren plaatsvinden buiten Europa, legt hij uit. We moeten tijdig op deze groei inhaken om ervan te kunnen profiteren. Wel geeft Baert aan dat de regels van het spel moeten worden aangescherpt. Binnen Europa betekent dit voor hem voornamelijk een verbeterde afstemming tussen verantwoordelijkheden van verschillende autoriteiten. “Dat wereldhandel sociale en milieu-gerelateerde consequenties heeft is geen nieuws meer,” beargumenteert hij. “Ons handelsbeleid is echter niet de juiste plek om deze problemen aan te pakken. Sociaal beleid en milieubeleid zijn grotendeels verantwoordelijkheden van onze lidstaten en regio’s. Handelsbeleid zal dus beter moeten worden geïntegreerd in bestaande nationale systemen.” Daarnaast pleit Baert voor een daadkrachtigere procedure voor de implementatie van handelsverdragen. Vooralsnog moeten nieuwe handelsverdragen goedgekeurd worden door 43 nationale en regionale parlementen, waarvan er 9 Belgisch zijn. Hij vraagt zich af: “Is dit echt democratischer dan de goedkeuring van één parlement dat direct door alle Europeanen wordt gekozen?” Heel wat food for thought vanuit de Commissie.

Prof. De Schutter ziet juist wel een grote rol voor onze handelsbeleidsmakers in het sturen van globalisering. “We zien handel te veel als een einddoel, maar zouden het meer moeten interpreteren als een tool voor duurzame ontwikkeling,” pleit hij. Bovendien vindt De Schutter het idee dat landen onderling handelsverdragen namens hun inwoners afsluiten misleidend. “Handel vindt niet plaats tussen landen, maar tussen de grote multinationals. Die bepalen grotendeels het beleid.” Volgens hem zou Europa dan ook minder aandacht aan deze bedrijven moeten besteden en “haar macht in de wereldhandel moeten inzetten ten goede van wereldwijde duurzame ontwikkeling.” Dit kan volgens hem op verschillende manieren, bijvoorbeeld door voorkeur te geven aan handel met landen die duurzame en humane productie kunnen garanderen of door één informatief labelsysteem te ontwikkelen voor consumenten.

Er bestaan binnen de EU zeker al initiatieven om de negatieve consequenties van globalisering op onze eigen sociale welvaart te beperken. Baert geeft aan dat het Cohesiefonds hier bijvoorbeeld een goed mechanisme voor is. Dit fonds is gericht op lidstaten met een gemiddeld inkomen per hoofd van de bevolking dat lager ligt dan 90% van het EU gemiddelde. Het wordt ingezet om economische en sociale ongelijkheid te verminderen en duurzame ontwikkeling te stimuleren. Maar ook de Interreg programma´s kunnen met middelen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling bijdragen aan een sterkere rol voor regio´s in een globaliserende wereld. Zo investeert Interreg Vlaanderen-Nederland in heel wat technologische innovaties die leiden tot meer werkgelegenheid en een sterkere handelspositie voor de grensregio. Het Interreg-project F2AGRI biedt bijvoorbeeld kansen voor boeren en Accelerate3 versterkt de regionale maakindustrie.  

Al met al heeft de avondlezing zeker aangezet tot denken. Het Europese handelsbeleid lijkt vooral positieve, maar ook negatieve gevolgen te hebben op mens en milieu, binnen en buiten onze eigen unie. Juist daarom is het zo belangrijk dat er op lokaal niveau over dit onderwerp gesproken wordt. Met deze sessie heeft Europa Direct Oost-Vlaanderen dit mogelijk gemaakt.

 

Lagere energiekosten? See2Do! inspireert

See2Do! helpt bij het vinden van energiebesparende maatregelen voor huiseigenaars en eigenaars van publieke gebouwen in Vlaanderen en Nederland. Goed voor het milieu en de portemonnee! Hierachter ligt een eenvoudige filosofie: ‘doen’ door te laten ‘zien’. Tijdens de bezoekdag in Mechelen tonen de projectpartners hoe ze te werk gaan.

Hoewel de laatste herfstbladeren de grond nog niet bereikt hebben voelt het in de Vlaams-Nederlandse grensregio al echt als winter. Natgeregend tot aan mijn sokken bedenk ik me: het is tijd om de verwarming een tandje hoger te zetten. Wat is er tijdens de donkere novembermaand fijner dan een warm en mooi verlicht huis? Juist, een warm en mooi verlicht klimaatneutraal huis!

See2Do! maakt energieverlies zichtbaar via thermografische opnames, straat- en woningscans en luchtfoto’s. Het project hoopt zo een evolutie in gang te zetten in de Vlaams-Nederlandse grensregio, waar energieverlies bij particuliere woningen nog altijd verantwoordelijk is voor zeker 25 tot 30% van de totale COuitstoot. In Vlaanderen beschikt bijna 20% van de woningen nog over enkel glas en hebben slechts 1 op de 4 gezinnen dak- of zoldervloerisolatie. De partners van See2Do! hebben daarom een droom: een daling in uitstoot realiseren door woningeigenaars en publieke instanties te inspireren met innovatieve, energie-efficiënte renovaties.

See2do2.jpg
Een van de Interreg projectadviseurs ervaart zelf hoe See2Do! warmteverlies in kaart brengt

Werkt dit? Ja. Mede dankzij steun vanuit de EU via het grensoverschrijdende programma Interreg Vlaanderen-Nederland wordt de droom van See2Do! werkelijkheid. Daarvan raakte ik op 20 november overtuigd tijdens een openbare bezoekdag aan twee demonstratieprojecten in Mechelen. Een geschiktere stad voor deze bijeenkomst had er ook bijna niet kunnen zijn. Mechelen ondertekende in 2012 al het Europese Burgemeesterconvenant: een afspraak die steden verenigt in een netwerk dat zich inzet in de strijd tegen klimaatverandering. Schepen Marina De Bie opende de bezoekdag dan ook met een duidelijke boodschap: “Een stad kan pas slim zijn als ze ook duurzaam is. Onze inwoners moeten ook onze klimaatambities uitdragen. Laten we dan allereerst als stad een goed voorbeeld stellen.” Een goed voorbeeld: dat is precies waar de partners van See2Do! werk van maken.

In de historische Keldermanszaal van het Mechelse stadhuis begon onze reis naar de toekomst. Een vijftal demonstratieprojecten introduceerde hier hun duurzame plannen aan een Nederlands-Vlaams publiek. In Bekkevoort wordt bijvoorbeeld de bibliotheek uit 1999 aangepakt. “Dit is nu typisch zo’n gebouw dat qua duurzaamheid wel oké is, maar niet goed genoeg,” legde de Bekkevoorste vertegenwoordiging uit. “Hier zal een relatief kleine investering toch al grootste resultaten leveren. Daarmee hopen we dan ook anderen te inspireren.” In Breda wordt het gemeentehuis op meerdere terreinen gerenoveerd. Er wordt hier geïnvesteerd in zuinige LED-verlichting die in sterkte en kleur kan worden aangepast door de medewerkers. “Zo investeren we niet enkel in verduurzaming, maar ook in werknemerstevredenheid,” zei de trotse projectverantwoordelijke. De Brugse Maatschappij voor Huisvesting omarmt volledig het grensoverschrijdende aspect van See2Do! “We kijken naar mooie, duurzame technieken in Nederland  én Vlaanderen en passen ze allebei toe. Zo werken we met het Nederlandse Renolution, een soort theemutsmodel, en de typisch Vlaamse spouwmuurisolatie. Samen met de geplande zonnepanelen zullen deze renovaties leiden tot een daling van de energiefactuur tot 95%!” Zouden wijkbewoners deze renovaties nu ook écht oppikken? Volgens een medewerker van partner IGEMO zeker wel: “We krijgen steeds meer verzoeken van mensen of we ook in hun buurt aan de slag willen gaan. En ook voor de open dagen ervaren we veel enthousiasme.”

See2do1
Keldermanszaal stadhuis Mechelen

Een bezoek aan de twee Mechelse demonstratieprojecten vormde het hoogtepunt van het programma. IGEMO, een intercommunale die diensten aan meerdere gemeenten levert, renoveert haar kantoor in het historische hart van Mechelen. De betrokken projectpartner legde uit wat voor uitdagingen dit met zich meebrengt: “We werken aan een energiezuinig kantoorgebouw in een historisch jasje. Het is bovendien een constructie ‘op z’n Vlaams’, met meerdere hoekjes en dingetjes. We moeten dus bijzonder veel rekening houden met zowel de toegankelijkheid als de erfgoedwaarde.” Toch heeft de architect op creatieve wijze verduurzaming kunnen toepassen. Zo zal er extra geïsoleerd worden en zullen de toiletten werken op basis van regenwater. Ook het bezoek aan het Dorpshuis in Hombeek inspireerde. Buiten het centrale trappenhuis met kleurrijk glas in lood wordt het hele pand grondig gerenoveerd. De temperatuur zal op basis van warmte in de buitenlucht gereguleerd worden, de sanitaire voorzieningen zullen draaien op regenwater en de elektriciteit zal door zonnepanelen opgewekt worden. Hoewel het op de beide sites nu nog ijzig koud was, namen de levendige verhalen van architecten en betrokkenen ons al mee naar de warme tijden die komen.

De projectpartners van See2Do! laten zien dat je samen meer kunt dan alleen. De Vlaams-Nederlandse partners schaffen gezamenlijk technologieën aan en delen ervaringen, bijvoorbeeld op het gebied van communicatie. Dat deze samenwerking leidt tot concrete resultaten hebben de deelnemers aan de bezoekdag kunnen ervaren. Alle deelnemers gingen zeker met veel energie en inspiratie naar huis! Bij thuiskomst zullen de huiseigenaren onder ons bovendien zeker een blik op energiesparen.be geworpen hebben.

See2do3.jpg
Een live bezoek aan een van de demonstratieprojecten: Dorpshuis in Homsbeek

Health care innovation in the age of ageing

Scroll voor Nederlandse versie naar beneden. 

CrossCare welcomes another two health care innovations

The demand for health care in the Flemish-Dutch border region changes rapidly. Population ageing threatens the regional economy and weighs heavily on the health care system. Health care innovations, both preventative and curative, can help us overcome this challenge. That’s why Interreg Vlaanderen-Nederland has invested nearly €5 million in the cross-border innovation project CrossCare. The project’s list of healthy innovations expands yet again as two more programmes were launched last month.

Population ageing. The Dutch refer to it as vergrijzing, which literally translates to greyification. The 80-and-older population in the Netherlands has increased by 45% since 2001. And health care expenses per capita have almost doubled in the same period. The Dutch border regions age much faster than the country’s urban heart. The region of Zeeuws-Vlaanderen counts the largest number of inhabitants over 65 and the province of Limburg experiences the most rapid process of vergrijzing. As a consequence, aging-associated diseases are starting to form a painfully dark cloud on the horizon. The number of people dying from dementia has tripled since 1996. But even accidental falling incidents increasingly form a cause of death. A similar trend exists in Flanders. The Flemish population is oldest in the border provinces of Antwerp and Limburg. Together with other, related societal changes, such as the growing number of elderly living alone, the pressure on the labour market in the health care sector and budgetary cuts, this evolution has come to be a huge challenge for the Flemish-Dutch border region.

The CrossCare project stimulates, supports and fastens innovations in the health care sector. “Companies and knowledge institutes can play an important societal role by focusing on health care innovation and the economic valorisation of knowledge,” the project shares. “The number of innovations that actually makes it to the market, however, is stuck around 35%.” About 20 innovation programmes therefore currently receive support. The programmes vary in nature; think of a mechanism that can prevent elderly from falling, a sensor that can detect epilepsy attacks at home, or a tool that can help people suffering from a tremor prevent spilling. Apart from distributing funds, CrossCare also grants companies access to six Dutch and Flemish Living Labs. These labs provide a setting in which innovations can be created and tested in cooperation with end users for better customization to specific demands from health care consumers and providers.

CrossCare has already opened its third wave of innovation trajectories. It recently welcomed two new innovations: oxypoint and mOSArt. Oxypoint aims to develop optimised mobile oxygen suppliers for hospitals, which pay special attention customer comfort. Current oxygen supply systems often cause logistical chaos, a waste of oxygen and intensive labour for hospital staff. That’s why Oxypoint has developed smart oxygen cylinders and the necessary accompanying monitoring software. Thanks to CrossCare, this new system can be tested in the Living Labs in cooperation with Belgian and Dutch stakeholders. The second participant in this new wave is mOSArt, or Mobile Obstructive Sleep Apnea Remedy & Test. Due to population ageing and obesity, sleep apnea has become an issue of great importance in Flanders and the Netherlands. The region annually loses some €1,5 billion to costs associated with a lack of diagnosis of the affection. mOSArt therefore aims to develop a tool, no bigger than a coin, that can diagnose sleep apnea on the basis of signals, including our heart rate.

For each of its cohorts, CrossCare investigates the needs and expectations of participating enterprises. Companies that participated in earlier waves are positive about the opportunities offered in the Living Labs. They see the need for more insights in the cross-border market, as well as the market at home. Taking away investment risks by providing sufficient funds remains a crucial element of the project. Half of the participating companies indicate that their innovation trajectory would not have been launched without extra funds. Furthermore, the Flemish and Dutch markets are often too small by themselves to expect a good return on investment. Through CrossCare, participating companies join an international network that connects different health care innovators, client groups and providers. It therefore provides access to a larger market and generates the social capital that can help single companies look for answers beyond their own circle. The added value of CrossCare is therefore more than evident. With the use of European funds, the project facilitates market access to health care innovations that can save and improve human lives. In our demographically changing region we can only welcome such development!

Updates on all of CrossCare’s innovations can be followed on crosscare.eu

CrossCare verwelkomt opnieuw twee zorginnovaties

De zorgvraag in de Vlaams-Nederlandse grensregio verandert snel. Vergrijzing speelt hierin een belangrijke rol. Om in te kunnen spelen op deze uitdaging, zowel preventief als curatief, is zorginnovatie van cruciaal belang. Interreg Vlaanderen-Nederland investeert daarom bijna €5 miljoen in het grensoverschrijdende zorginnovatieproject CrossCare. Dit project is goed onderweg naar een gezondere grensregio. Na een derde oproep zijn in oktober weer twee nieuwe innovaties goedgekeurd.

In Nederland is het aantal 80-plussers sinds 2001 met zo’n 45% gestegen. De zorguitgaven per hoofd van de bevolking zijn in diezelfde periode bijna verdubbeld. Vooral in de grensgebieden wordt Nederland steeds ouder. Zeeuws-Vlaanderen kent de meeste 65-plussers en Limburg is de snelst verouderende provincie. Aan ouderdom gerelateerde ziektes beïnvloeden de samenleving steeds sterker. Het aantal personen dat overlijdt aan dementie is sinds 1996 verdrievoudigd. Maar ook het aantal ouderen dat komt te overlijden door bijvoorbeeld een accidentele valpartij stijgt. In Vlaanderen vindt een soortgelijke trend plaats. Hier neemt de veroudering het snelst toe in de provincies Antwerpen en Limburg. Samen met gerelateerde maatschappelijke veranderingen, zoals de toename van het aantal alleenstaande ouderen, de druk op de arbeidsmarkt in de zorgsector en budgettaire beperkingen, vormt deze evolutie dus een grote uitdaging voor het Vlaams-Nederlandse grensgebied.

Het CrossCare project stimuleert, ondersteunt en versnelt daarom innovaties in de zorg. “Bedrijven en kennisinstellingen kunnen een belangrijke maatschappelijke bijdrage leveren door in te zetten op zorginnovatie en economische valorisatie van kennis,” deelt het project. “Het aantal innovaties dat de markt haalt is echter slechts 35%.” Inmiddels worden er binnen het project daarom zo’n 20 innovatietrajecten ondersteund. In deze trajecten wordt bijvoorbeeld gewerkt aan automatische valpredictie bij ouderen, epilepsiedetectie in huis of een hulpmiddel dat het morsen door tremorbeweging tegengaat. Naast het verdelen van fondsen verleent CrossCare de innoverende partijen ook toegang tot zes Nederlandse en Vlaamse zorgproeftuinen of Living Labs. In deze setting kunnen de innovaties worden gecreëerd en getoetst samen met eindgebruikers voor een betere afstemming tussen nieuwe concepten en de behoeften van zorgconsumenten en -verleners.

CrossCare is al aan haar derde ‘wave’ van innovatietrajecten toe. Afgelopen maand zijn twee nieuwe initiatieven goedgekeurd. Oxypoint heeft als visie het ontwikkelen van een geoptimaliseerde mobiele zuurstofvoorzieningen in ziekenhuizen waarbij het comfort van de patiënt centraal staat. De huidige zuurstofvoorziening gaat vaak gepaard met chaotische logistiek, zuurstofverspilling en een hoge werkdruk voor ziekenhuispersoneel. Oxypoint ontwikkelde daarom intelligente zuurstofflessen met bijbehorende monitoringssoftware. Via CrossCare kan dit nieuwe systeem in samenwerking met Belgische en Nederlandse belanghebbenden in de Living Labs worden getoetst. De tweede deelnemer aan deze derde ‘wave’ is mOSArt of Mobile Obstructive Sleep Apnea Remedy & Test. Door veroudering en overgewicht in Vlaanderen en Nederland wordt slaapapneu een steeds dringender probleem. De grensregio verliest jaarlijks zo’n €1,5 miljard aan kosten die geassocieerd worden met de onderdiagnose van de aandoening. mOSArt heeft daarom als doel een toestel te ontwikkelen, niet groter dan een muntstuk, dat op basis van signalen zoals hartslag snel en eenvoudig apneu kan vaststellen.

CrossCare onderzoekt per cohort de behoeften en verwachtingen van deelnemende bedrijven. Bedrijven die aan eerdere ‘waves’ hebben deelgenomen zijn positief over de mogelijkheden die de proeftuinen bieden. Ze hebben behoefte aan inzichten in de grensoverschrijdende markt, maar ook de thuismarkt. Het wegnemen van investeringsrisico door fondsenverstrekking blijft bovendien een cruciaal onderdeel van het project. De helft van de deelnemende bedrijven geeft aan dat het innovatietraject zeker niet zou kunnen worden uitgevoerd zonder subsidie. Daarnaast zijn de Vlaamse en Nederlandse markten afzonderlijk vaak te klein om investeringen terug te verdienen. Via CrossCare kunnen deelnemende bedrijven onderdeel worden van een internationaal netwerk dat bedrijven, zorgafnemers en -verleners aan elkaar verbindt. Zo geeft het toegang tot een grotere markt en genereert het sociaal kapitaal waarmee bedrijven antwoorden kunnen vinden buiten hun eigen, directe cirkel. De meerwaarde van CrossCare moge daarom duidelijk zijn. Met Europese fondsen verlaagt het project de drempel voor zorginnovatie. In onze demografisch veranderende regio is deze ontwikkeling meer dan welkom.

Nieuws over alle zorginnovaties binnen CrossCare kun je volgen via crosscare.eu.

Gastblog Jonge Klimaatbeweging

Jonge Klimaatbeweging heeft hier een samenvatting van onderstaande blog gepubliceerd.

Europese jongeren slaan de handen ineen op weg naar een duurzame en solidaire samenleving. De maatschappelijke vraagstukken van vandaag zijn immers grensoverschrijdend.

Klimaatverandering is misschien wel het duidelijkste voorbeeld van een dreiging die door geen enkel land afzonderlijk gestild kan worden. En toch voelen veel Europese jongeren juist nu dat er om hen heen angstig teruggegrepen wordt naar oude idealen. De illusie dat een beschermende staat voor alle angsten een oplossing biedt wint opnieuw publieke steun. Veel jongeren willen daarom tegengas geven. Maar wanneer de wereld brandt, voel je je al gauw te nietig om als individu te gaan blussen. Het Europees Solidariteitskorps brengt daarom jongeren bij elkaar voor wie solidariteit niet stopt aan de grens. Er is binnen Europa genoeg om aan te werken: van wederopbouw na natuurrampen tot het bestuderen van biodiversiteit. Via het Solidariteitskorps kun je blijk geven van wederzijds begrip en tegelijkertijd een zinvolle bijdrage leveren aan de samenleving. Ik neem deel aan deze missie en roep alle andere Europese jongeren op om dit ook te doen.

Inhoudelijk doelt het Solidariteitskorps op meer dan klimaatproblematiek alleen. Desalniettemin geloof ik dat dit korps juist voor jongeren met een klimaatagenda een hoop kansen biedt. Klimaatverandering is bij uitstek een probleem dat vraagt om grensoverschrijdende solidariteit. Niet enkel omdat de oorzaak wereldwijd diep in onze samenlevingen is geworteld, maar ook omdat de impact op mensenlevens afhankelijk is van waar je op de wereld geboren wordt. Vaak zijn er in de regio’s waar droogte en overstromingen steeds vaker hun tol eisen weinig middelen voor klimaatresistente infrastructuur. Zelfs binnen Europa zal klimaatverandering op verschillende manieren onze levens gaan beïnvloeden. Denk bijvoorbeeld aan het verdwijnen van drinkwaterbronnen, het mislukken van oogsten, de steeds vaker voorkomende bosbranden of het steeds lastiger af te voeren regenwater in stedelijke gebieden. Om hier goed mee om te kunnen gaan is een continue kennisuitwisseling vereist tussen verschillende overheden, kennisinstellingen en bedrijven uit heel Europa. Via het Solidariteitskorps kunnen jongeren een netwerk opbouwen waar duurzaamheid aan ten grondslag ligt. Je kunt in 2017 niet meer van solidariteit spreken wanneer verschillende maatschappelijke groepen ongelijk betrokken zijn bij de oorzaken en gevolgen van klimaatverandering. Gezien de impact van het klimaat op gezondheid, huisvesting, veiligheid en economie, kan de idee van een solidair Europa niet losgekoppeld worden van klimaatbeleid. Je actief inzetten voor een beter klimaat en voor klimaatresistentie is je inzetten voor een solidaire samenleving.

Daarnaast denk ik dat we als Europese jongeren veel meer zouden moeten erkennen dat we zelf onderdeel zijn van het probleem. Zeker, we kunnen ook onderdeel van de oplossing worden, maar hiervoor zullen flinke stappen moeten worden gezet. Hoewel ‘alle beetjes helpen,’ kunnen we onze verantwoordelijkheid niet afkopen met enkel duurzame zeep en vegaburgers. Om klimaatverandering aan te pakken is een radicale verandering van onze economie noodzakelijk. Dit vereist niet enkel verandering van consumptiegedrag, maar ook verduurzaming van politiek, onderwijs en bedrijfsvoering. Als jongeren delen we de verantwoordelijkheid om onze samenleving toekomstbestendig te maken. Het afschuiven van ongewenste maatschappelijke ontwikkelingen op andere generaties of andersdenkenden is zinloos. Jouw keuzes in de supermarkt, maar ook in het stemhokje, het onderwijs en bij het zoeken naar werk zijn relevant. Ook hier zie ik kansen binnen het Solidariteitskorps. Iedere deelnemer heeft zijn eigen opvattingen, overtuigingen en verwachtingen. Kruisbestuiving van deze ideeën en het maken van de juiste connecties kan leiden tot nieuwe inzichten en kansen. Hoe meer jongeren hun kennis en ambities rond het klimaat introduceren binnen het Solidariteitskorps, hoe breder de beoogde oplossingen uitgedragen kunnen worden. Hier komen nieuwe of toekomstige beleidsmakers, onderwijzers, verzorgers en investeerders bijeen om te leren van elkaar en een duurzaam netwerk op te bouwen. Als deze jongeren hun eigen rol in klimaatverandering erkennen, dan kunnen ze in de toekomst hun opgedane kennis en netwerk exploiteren om oplossingsgericht aan de slag te gaan.

Het Europees Solidariteitskorps is een jong platform en zal inhoudelijk meegroeien met de dromen en ambities van de deelnemers. Tegen de Nederlandse jongeren met hoop voor een beter klimaatbeleid zeg ik: meld je aan, kijk wat er mogelijk is en deel je verhaal in Europees verband.

Zelf werk ik in het kader van het Solidariteitskorps als vrijwilliger voor Interreg Vlaanderen – Nederland in Antwerpen. Dit is een secretariaat van de EU dat grensoverschrijdende projecten subsidieert rond de thema’s technologische innovatie, duurzame energie, natuurbeleid en arbeidsmobiliteit. Mijn doel is om zoveel mogelijk over deze projecten te leren en ook anderen te enthousiasmeren. Een maand na mijn eerste dag heb ik al bij ongelooflijk mooie projecten een kijkje in de keuken kunnen nemen.

Er gebeurt in de grensregio veel meer dan ik van tevoren had kunnen bedenken. Het Interreg programma kent bijvoorbeeld financiering toe aan een hoop projecten die toewerken naar een ‘biogebaseerde economie’. Hieronder valt ook het project Accelerate3, dat onderzoekt hoe de snelgroeiende 3D-printsector gebruik kan maken van biogebaseerde materialen als grondstoffen. Weer een ander project, Entomospeed, onderzoekt op welke manieren insecten gebruikt kunnen worden in levensmiddelen. Insecten zetten afvalstoffen om tot bijvoorbeeld vetten en proteïnen die voor mensen en andere dieren nuttig zijn. Deze projecten werken niet alleen op laboschaal, maar onderzoeken ook mogelijkheden voor opschaling. Het project Grenzeloos Biobased Onderwijs speelt hier dan weer op in, door te investeren in lessen en faciliteiten rond het thema ‘biogebaseerde economie’. Een ander beleidsthema waarin wordt geïnvesteerd is energiegebruik. Het project DEMI MORE investeert in de energie-efficiëntie van monumenten, zodat ook ons historisch erfgoed een toekomst heeft. Vaak is er heel wat synergie tussen de verschillende projecten. Bij PV Opmaat wordt onderzocht hoe zonnepanelen efficiënter en meer op maat geïntegreerd kunnen worden in woningen en gebouwen. De resultaten binnen dit project kunnen dan weer bij demonstraties van andere projecten ingezet worden. Zo is het gelukt om bij een monumentaal rangeerstation aan de Vlaams-Nederlandse grens zonnepanelen te installeren in een ornament. Hierdoor verrijken ze de omgeving eerder dan dat er sprake is van landschapsvervuiling. De kleine stappen die al deze projecten maken zullen uiteindelijk leiden tot innovaties die een hele markt kunnen transformeren.

Alle projecten binnen het Interreg programma zijn grensoverschrijdend. Dat houdt in dat er in deze regio zowel Nederlandse als Vlaamse partners betrokken zijn. Zo wordt ook weer kennisuitwisseling gestimuleerd en raken mensen aan weerszijden van de grens verbonden door een gemeenschappelijke missie. In de Vlaams–Nederlandse regio is het halen van de Europese klimaatdoelen voor 2020 onderdeel van deze missie. De ondernemers en onderzoekers die ik tot nu toe gesproken heb barsten van de energie. Het is prachtig om te zien hoe de oplossingsgerichte geest van de Europeaan grenzen kan overstijgen. Interreg Vlaanderen-Nederland is slechts een programma uit de tientallen grensoverschrijdende programma’s in Europa. Duizenden mensen en organisaties zijn aangesloten bij projecten waarbinnen elke dag aan een betere toekomst wordt gewerkt. Het netwerk dat zij samen vormen doet mij denken aan het Internationale Comité voor Intellectuele Samenwerking dat na de Eerste Wereldoorlog werd opgericht in de hoopvolle, internationale sfeer die toen nog heerste onder de wereldelite. Wat zouden wetenschappers als Einstein en Curie, die lid waren van dit comité, denken van de totale hoeveelheid kennis die gegenereerd en uitgewisseld wordt binnen alle Interreg programma’s? Zij droomden immers van een toekomst waarin door grensoverschrijdende samenkomst van kunst en wetenschap wereldproblemen voorkomen zouden worden.

Vandaag hebben we als mensheid de kans om de dromen van deze dappere internationale geesten te doen voortleven. Klimaatverandering is onze grootste uitdaging ooit. We kunnen ervoor kiezen om opnieuw muren te bouwen. Uit angst, uit boosheid of uit egoïsme. Maar wat kunnen muren beginnen tegen orkanen, stijgende zeespiegels, bosbranden, migratiestromen en voedselschaarste? Om met klimaatverandering om te kunnen gaan zijn we afhankelijk van zowel technologische als sociale innovatie. De hele boel moet op de schop. Toekomstige generaties zullen op een radicaal andere wijze aan hun noden moeten komen dan wij. Dat lukt alleen als wij vandaag de juiste aanzet geven. Voor Interreg Vlaanderen-Nederland is dit elke dag de missie. Via het Europees Solidariteitskorps hebben alle jonge Europeanen de kans om deel te nemen aan vergelijkbare programma’s.

De toekomst van Europa ligt in al onze handen. Zoek daarom actief het debat op, bijvoorbeeld op de Jonge Klimaattop of in het Solidariteitskorps. Verdedig elke dag en naar iedereen het grensoverschrijdende gedachtegoed. Benoem klimaatbeleid als fundamenteel element van een solidaire samenleving. En ontdek wat je samen met anderen kunt bereiken.