Vlaams-Nederlandse energieprojecten vormen duurzame community

Interreg-projecten hebben een gemeenschappelijke missie: werken aan de toekomst van de grensregio. Sommige projecten focussen op de gezondheidszorg,  anderen weer op thema’s als transport, voeding of energie-efficiëntie. Uit deze laatste categorie kwam gisteren een tiental projecten samen in het community-building evenement Energie & Gebouwen. De aanwezige partners gingen op zoek naar dwarsverbanden en mogelijkheden voor kennisuitwisseling. Zo hebben een aantal partners afgesproken tips uit te wisselen rond hun communicatiestrategieën. Het was een verbindende dag, met een grensoverschrijdend randje.

Interreg-Vlaanderen Nederland draagt op regionaal niveau bij aan de strategie van de EU voor slimme, duurzame en inclusieve groei. Deze prioriteiten zijn aan elkaar verbonden en versterken elkaar. Een investering in kennis en innovatie kan leiden tot een groenere economie waarin efficiënter met hulpbronnen wordt omgegaan en bovendien werkgelegenheid ontstaat. Energie-efficiëntie is een thema waarin deze prioriteiten samenkomen. De EU heeft als doel om voor 2020 aan een energie-efficiëntie van 20% te komen. Dat wil zeggen dat alle lidstaten via hun eigen strategieën moeten bijdragen aan een besparing van 20% op het primaire energieverbruik binnen de Unie ten opzichte van prognoses uit 2007. Tegelijkertijd is energiegebruik in gebouwen nog een van de belangrijkste oorzaken van COuitstoot in de grensregio. België en Nederland zijn binnen de EU zeker nog geen koplopers op het gebied van energie-efficiëntie. Daarom investeert Interreg in Vlaams-Nederlandse projecten rond het thema Energie & Gebouwen. Door krachten en kennis uit de gehele regio te bundelen kunnen grensoverschrijdende resultaten behaald worden, van nanotechnologie in zonnepanelen tot slimme uitwisseling van energiereststromen.

Zeker 10 Interreg-projecten werken aan innovaties op het gebied van energie-efficiëntie. DEMI MORE ontwikkelt bijvoorbeeld een duurzame energienorm voor monumenten terwijl PV OpMaat werkt aan geïntegreerde PV modules op glas of staal. Tijdens het community-building evenement werden de partners uitgedaagd om na te denken over mogelijke kruisbestuiving of leerkansen. Als directeur van het Interreg secretariaat opende Bram de Kort het evenement met woorden van verbinding: “Het grensoverschrijdende zit in ons bloed!” Samen met de partners hoopt hij niet enkel bruggen te bouwen tussen Vlaanderen en Nederland, maar ook tussen de projecten onderling.

Community2.jpg
Introductie door Algemeen Directeur Bram de Kort

Bij binnenkomst van de partners bleek al wel dat deze bruggen snel gebouwd zouden zijn. De deelnemers raakten direct met elkaar in gesprek. “Wij zijn op zoek naar informatie over zonnepanelen voor de typische dakpannen van de Brugse binnenstad,” sprak een deelnemer tot een partner in het project PV OpMaat, die haar hier zeker meer over kon vertellen. Andere betrokkenen gaven aan op zoek te zijn naar tips rond het betrekken van ondernemers als ambassadeurs van een project. Hiervoor werd direct een samenwerking tot stand gebracht. Veel deelnemers waardeerden vooral het persoonlijke, informele karakter van de bijeenkomst. “We lezen altijd wel de nieuwsbrief, maar nu kennen we de gezichten achter de activiteiten waarover we lezen,” gaf een deelnemer aan. “Het was vooral fijn om weer nieuwe contacten te maken,” bevestigde een ander. “Van een aantal projecten wist ik niet dat ze bestonden, terwijl we er eigenlijk heel wat overeenkomsten mee hebben.”

Met elkaar leveren de energiepartners een mooie bijdrage aan de leefbaarheid en klimaatvriendelijkheid van de grensregio. Vanuit hun missie bestond er tussen de projecten al een zekere verbondenheid voor het community building van start ging. Dit evenement heeft die verbondenheid wat concreter gemaakt. Het gaat binnen de Interreg-gemeenschap om meer dan enkel het delen van kaartjes. Elke geschudde hand staat symbool voor een uitwisseling van persoonlijke verhalen, ervaringen en ideeën. Bij vertrek sprak een van de deelnemers nog: “Werken aan de toekomst doe je niet alleen, maar door de handen ineen te slaan.”

We kijken uit naar de resultaten van alle projecten en zijn benieuwd naar de duurzame, grensoverschrijdende relaties die binnen het Interreg-programma nog gaan ontstaan.

Door Robbert van Tilborg (Interreg Reporter namens Interreg Volunteer Youth)

Europa Direct brengt wereldhandel dichter bij huis

Sinds een aantal jaar organiseert Europa Direct Oost-Vlaanderen in samenwerking met de Universiteit Gent openbare avondlezingen rond Europese vraagstukken. Europa Direct is een lokaal informatiecontactpunt van de Europese Commissie dat open staat voor iedereen. Een persoonlijke toegangspoort tot de EU, als het ware. Vergelijkbare contactpunten vind je ook in bijvoorbeeld  Brugge​ of Den Haag. Dit jaar was de toekomst van Europa het thema van de avondlezingen. Ik nam een kijkje bij de laatste sessie: een debat over de rol van de EU in het sturen van globalisering.

Wat willen we van en voor Europa in de toekomst? Die vraag stelde President Juncker van de Europese Commissie tijdens zijn Staat van de Unie in september 2016. Hij schetste meerdere scenario’s, maar gaf aan zelf voorstander te zijn van een Europa dat beschermt. L’Europe qui protège. Ook een sterkere handelspositie maakte deel uit van deze positieve agenda. “Als Europeanen hebben wij een open houding en drijven wij handel met onze buren, in plaats van oorlog met hen te voeren. Wij vormen ’s wereld grootste handelsblok, dat met 140 partners handelsovereenkomsten heeft gesloten of daarover in onderhandeling is.” Hoe combineren we de idealen van een solidair, beschermend Europa met onze ambities voor Europa als topspeler in de wereldhandel? Daarover ging de avondlezing in de Gentse Provincieraadzaal op 20 november. Prof. Olivier De Schutter en Tomas Baert, hoofd handelsstrategie bij de Europese Commissie, gingen in discussie.

futureofeurope

“Dit is zeker geen nieuw debat,”  begon Baert, “maar er komen steeds weer nieuwe punten om te bespreken.” Globalisering wordt veelal gezien als de drijfveer van sociale ongelijkheid. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de retoriek waarmee voorstanders van Brexit het publieke debat wisten te overheersen tijdens de weken voor het referendum. Toch denkt Baert niet dat het de handel zelf is waaraan moet worden getwijfeld: “Onze maatschappijen zijn als een paraplu, ze werken het best wanneer ze open zijn.” Naar verwachting zal 90% van alle economische groei komende jaren plaatsvinden buiten Europa, legt hij uit. We moeten tijdig op deze groei inhaken om ervan te kunnen profiteren. Wel geeft Baert aan dat de regels van het spel moeten worden aangescherpt. Binnen Europa betekent dit voor hem voornamelijk een verbeterde afstemming tussen verantwoordelijkheden van verschillende autoriteiten. “Dat wereldhandel sociale en milieu-gerelateerde consequenties heeft is geen nieuws meer,” beargumenteert hij. “Ons handelsbeleid is echter niet de juiste plek om deze problemen aan te pakken. Sociaal beleid en milieubeleid zijn grotendeels verantwoordelijkheden van onze lidstaten en regio’s. Handelsbeleid zal dus beter moeten worden geïntegreerd in bestaande nationale systemen.” Daarnaast pleit Baert voor een daadkrachtigere procedure voor de implementatie van handelsverdragen. Vooralsnog moeten nieuwe handelsverdragen goedgekeurd worden door 43 nationale en regionale parlementen, waarvan er 9 Belgisch zijn. Hij vraagt zich af: “Is dit echt democratischer dan de goedkeuring van één parlement dat direct door alle Europeanen wordt gekozen?” Heel wat food for thought vanuit de Commissie.

Prof. De Schutter ziet juist wel een grote rol voor onze handelsbeleidsmakers in het sturen van globalisering. “We zien handel te veel als een einddoel, maar zouden het meer moeten interpreteren als een tool voor duurzame ontwikkeling,” pleit hij. Bovendien vindt De Schutter het idee dat landen onderling handelsverdragen namens hun inwoners afsluiten misleidend. “Handel vindt niet plaats tussen landen, maar tussen de grote multinationals. Die bepalen grotendeels het beleid.” Volgens hem zou Europa dan ook minder aandacht aan deze bedrijven moeten besteden en “haar macht in de wereldhandel moeten inzetten ten goede van wereldwijde duurzame ontwikkeling.” Dit kan volgens hem op verschillende manieren, bijvoorbeeld door voorkeur te geven aan handel met landen die duurzame en humane productie kunnen garanderen of door één informatief labelsysteem te ontwikkelen voor consumenten.

Er bestaan binnen de EU zeker al initiatieven om de negatieve consequenties van globalisering op onze eigen sociale welvaart te beperken. Baert geeft aan dat het Cohesiefonds hier bijvoorbeeld een goed mechanisme voor is. Dit fonds is gericht op lidstaten met een gemiddeld inkomen per hoofd van de bevolking dat lager ligt dan 90% van het EU gemiddelde. Het wordt ingezet om economische en sociale ongelijkheid te verminderen en duurzame ontwikkeling te stimuleren. Maar ook de Interreg programma´s kunnen met middelen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling bijdragen aan een sterkere rol voor regio´s in een globaliserende wereld. Zo investeert Interreg Vlaanderen-Nederland in heel wat technologische innovaties die leiden tot meer werkgelegenheid en een sterkere handelspositie voor de grensregio. Het Interreg-project F2AGRI biedt bijvoorbeeld kansen voor boeren en Accelerate3 versterkt de regionale maakindustrie.  

Al met al heeft de avondlezing zeker aangezet tot denken. Het Europese handelsbeleid lijkt vooral positieve, maar ook negatieve gevolgen te hebben op mens en milieu, binnen en buiten onze eigen unie. Juist daarom is het zo belangrijk dat er op lokaal niveau over dit onderwerp gesproken wordt. Met deze sessie heeft Europa Direct Oost-Vlaanderen dit mogelijk gemaakt.

 

Lagere energiekosten? See2Do! inspireert

See2Do! helpt bij het vinden van energiebesparende maatregelen voor huiseigenaars en eigenaars van publieke gebouwen in Vlaanderen en Nederland. Goed voor het milieu en de portemonnee! Hierachter ligt een eenvoudige filosofie: ‘doen’ door te laten ‘zien’. Tijdens de bezoekdag in Mechelen tonen de projectpartners hoe ze te werk gaan.

Hoewel de laatste herfstbladeren de grond nog niet bereikt hebben voelt het in de Vlaams-Nederlandse grensregio al echt als winter. Natgeregend tot aan mijn sokken bedenk ik me: het is tijd om de verwarming een tandje hoger te zetten. Wat is er tijdens de donkere novembermaand fijner dan een warm en mooi verlicht huis? Juist, een warm en mooi verlicht klimaatneutraal huis!

See2Do! maakt energieverlies zichtbaar via thermografische opnames, straat- en woningscans en luchtfoto’s. Het project hoopt zo een evolutie in gang te zetten in de Vlaams-Nederlandse grensregio, waar energieverlies bij particuliere woningen nog altijd verantwoordelijk is voor zeker 25 tot 30% van de totale COuitstoot. In Vlaanderen beschikt bijna 20% van de woningen nog over enkel glas en hebben slechts 1 op de 4 gezinnen dak- of zoldervloerisolatie. De partners van See2Do! hebben daarom een droom: een daling in uitstoot realiseren door woningeigenaars en publieke instanties te inspireren met innovatieve, energie-efficiënte renovaties.

See2do2.jpg
Een van de Interreg projectadviseurs ervaart zelf hoe See2Do! warmteverlies in kaart brengt

Werkt dit? Ja. Mede dankzij steun vanuit de EU via het grensoverschrijdende programma Interreg Vlaanderen-Nederland wordt de droom van See2Do! werkelijkheid. Daarvan raakte ik op 20 november overtuigd tijdens een openbare bezoekdag aan twee demonstratieprojecten in Mechelen. Een geschiktere stad voor deze bijeenkomst had er ook bijna niet kunnen zijn. Mechelen ondertekende in 2012 al het Europese Burgemeesterconvenant: een afspraak die steden verenigt in een netwerk dat zich inzet in de strijd tegen klimaatverandering. Schepen Marina De Bie opende de bezoekdag dan ook met een duidelijke boodschap: “Een stad kan pas slim zijn als ze ook duurzaam is. Onze inwoners moeten ook onze klimaatambities uitdragen. Laten we dan allereerst als stad een goed voorbeeld stellen.” Een goed voorbeeld: dat is precies waar de partners van See2Do! werk van maken.

In de historische Keldermanszaal van het Mechelse stadhuis begon onze reis naar de toekomst. Een vijftal demonstratieprojecten introduceerde hier hun duurzame plannen aan een Nederlands-Vlaams publiek. In Bekkevoort wordt bijvoorbeeld de bibliotheek uit 1999 aangepakt. “Dit is nu typisch zo’n gebouw dat qua duurzaamheid wel oké is, maar niet goed genoeg,” legde de Bekkevoorste vertegenwoordiging uit. “Hier zal een relatief kleine investering toch al grootste resultaten leveren. Daarmee hopen we dan ook anderen te inspireren.” In Breda wordt het gemeentehuis op meerdere terreinen gerenoveerd. Er wordt hier geïnvesteerd in zuinige LED-verlichting die in sterkte en kleur kan worden aangepast door de medewerkers. “Zo investeren we niet enkel in verduurzaming, maar ook in werknemerstevredenheid,” zei de trotse projectverantwoordelijke. De Brugse Maatschappij voor Huisvesting omarmt volledig het grensoverschrijdende aspect van See2Do! “We kijken naar mooie, duurzame technieken in Nederland  én Vlaanderen en passen ze allebei toe. Zo werken we met het Nederlandse Renolution, een soort theemutsmodel, en de typisch Vlaamse spouwmuurisolatie. Samen met de geplande zonnepanelen zullen deze renovaties leiden tot een daling van de energiefactuur tot 95%!” Zouden wijkbewoners deze renovaties nu ook écht oppikken? Volgens een medewerker van partner IGEMO zeker wel: “We krijgen steeds meer verzoeken van mensen of we ook in hun buurt aan de slag willen gaan. En ook voor de open dagen ervaren we veel enthousiasme.”

See2do1
Keldermanszaal stadhuis Mechelen

Een bezoek aan de twee Mechelse demonstratieprojecten vormde het hoogtepunt van het programma. IGEMO, een intercommunale die diensten aan meerdere gemeenten levert, renoveert haar kantoor in het historische hart van Mechelen. De betrokken projectpartner legde uit wat voor uitdagingen dit met zich meebrengt: “We werken aan een energiezuinig kantoorgebouw in een historisch jasje. Het is bovendien een constructie ‘op z’n Vlaams’, met meerdere hoekjes en dingetjes. We moeten dus bijzonder veel rekening houden met zowel de toegankelijkheid als de erfgoedwaarde.” Toch heeft de architect op creatieve wijze verduurzaming kunnen toepassen. Zo zal er extra geïsoleerd worden en zullen de toiletten werken op basis van regenwater. Ook het bezoek aan het Dorpshuis in Hombeek inspireerde. Buiten het centrale trappenhuis met kleurrijk glas in lood wordt het hele pand grondig gerenoveerd. De temperatuur zal op basis van warmte in de buitenlucht gereguleerd worden, de sanitaire voorzieningen zullen draaien op regenwater en de elektriciteit zal door zonnepanelen opgewekt worden. Hoewel het op de beide sites nu nog ijzig koud was, namen de levendige verhalen van architecten en betrokkenen ons al mee naar de warme tijden die komen.

De projectpartners van See2Do! laten zien dat je samen meer kunt dan alleen. De Vlaams-Nederlandse partners schaffen gezamenlijk technologieën aan en delen ervaringen, bijvoorbeeld op het gebied van communicatie. Dat deze samenwerking leidt tot concrete resultaten hebben de deelnemers aan de bezoekdag kunnen ervaren. Alle deelnemers gingen zeker met veel energie en inspiratie naar huis! Bij thuiskomst zullen de huiseigenaren onder ons bovendien zeker een blik op energiesparen.be geworpen hebben.

See2do3.jpg
Een live bezoek aan een van de demonstratieprojecten: Dorpshuis in Homsbeek

Health care innovation in the age of ageing

Scroll voor Nederlandse versie naar beneden. 

CrossCare welcomes another two health care innovations

The demand for health care in the Flemish-Dutch border region changes rapidly. Population ageing threatens the regional economy and weighs heavily on the health care system. Health care innovations, both preventative and curative, can help us overcome this challenge. That’s why Interreg Vlaanderen-Nederland has invested nearly €5 million in the cross-border innovation project CrossCare. The project’s list of healthy innovations expands yet again as two more programmes were launched last month.

Population ageing. The Dutch refer to it as vergrijzing, which literally translates to greyification. The 80-and-older population in the Netherlands has increased by 45% since 2001. And health care expenses per capita have almost doubled in the same period. The Dutch border regions age much faster than the country’s urban heart. The region of Zeeuws-Vlaanderen counts the largest number of inhabitants over 65 and the province of Limburg experiences the most rapid process of vergrijzing. As a consequence, aging-associated diseases are starting to form a painfully dark cloud on the horizon. The number of people dying from dementia has tripled since 1996. But even accidental falling incidents increasingly form a cause of death. A similar trend exists in Flanders. The Flemish population is oldest in the border provinces of Antwerp and Limburg. Together with other, related societal changes, such as the growing number of elderly living alone, the pressure on the labour market in the health care sector and budgetary cuts, this evolution has come to be a huge challenge for the Flemish-Dutch border region.

The CrossCare project stimulates, supports and fastens innovations in the health care sector. “Companies and knowledge institutes can play an important societal role by focusing on health care innovation and the economic valorisation of knowledge,” the project shares. “The number of innovations that actually makes it to the market, however, is stuck around 35%.” About 20 innovation programmes therefore currently receive support. The programmes vary in nature; think of a mechanism that can prevent elderly from falling, a sensor that can detect epilepsy attacks at home, or a tool that can help people suffering from a tremor prevent spilling. Apart from distributing funds, CrossCare also grants companies access to six Dutch and Flemish Living Labs. These labs provide a setting in which innovations can be created and tested in cooperation with end users for better customization to specific demands from health care consumers and providers.

CrossCare has already opened its third wave of innovation trajectories. It recently welcomed two new innovations: oxypoint and mOSArt. Oxypoint aims to develop optimised mobile oxygen suppliers for hospitals, which pay special attention customer comfort. Current oxygen supply systems often cause logistical chaos, a waste of oxygen and intensive labour for hospital staff. That’s why Oxypoint has developed smart oxygen cylinders and the necessary accompanying monitoring software. Thanks to CrossCare, this new system can be tested in the Living Labs in cooperation with Belgian and Dutch stakeholders. The second participant in this new wave is mOSArt, or Mobile Obstructive Sleep Apnea Remedy & Test. Due to population ageing and obesity, sleep apnea has become an issue of great importance in Flanders and the Netherlands. The region annually loses some €1,5 billion to costs associated with a lack of diagnosis of the affection. mOSArt therefore aims to develop a tool, no bigger than a coin, that can diagnose sleep apnea on the basis of signals, including our heart rate.

For each of its cohorts, CrossCare investigates the needs and expectations of participating enterprises. Companies that participated in earlier waves are positive about the opportunities offered in the Living Labs. They see the need for more insights in the cross-border market, as well as the market at home. Taking away investment risks by providing sufficient funds remains a crucial element of the project. Half of the participating companies indicate that their innovation trajectory would not have been launched without extra funds. Furthermore, the Flemish and Dutch markets are often too small by themselves to expect a good return on investment. Through CrossCare, participating companies join an international network that connects different health care innovators, client groups and providers. It therefore provides access to a larger market and generates the social capital that can help single companies look for answers beyond their own circle. The added value of CrossCare is therefore more than evident. With the use of European funds, the project facilitates market access to health care innovations that can save and improve human lives. In our demographically changing region we can only welcome such development!

Updates on all of CrossCare’s innovations can be followed on crosscare.eu

CrossCare verwelkomt opnieuw twee zorginnovaties

De zorgvraag in de Vlaams-Nederlandse grensregio verandert snel. Vergrijzing speelt hierin een belangrijke rol. Om in te kunnen spelen op deze uitdaging, zowel preventief als curatief, is zorginnovatie van cruciaal belang. Interreg Vlaanderen-Nederland investeert daarom bijna €5 miljoen in het grensoverschrijdende zorginnovatieproject CrossCare. Dit project is goed onderweg naar een gezondere grensregio. Na een derde oproep zijn in oktober weer twee nieuwe innovaties goedgekeurd.

In Nederland is het aantal 80-plussers sinds 2001 met zo’n 45% gestegen. De zorguitgaven per hoofd van de bevolking zijn in diezelfde periode bijna verdubbeld. Vooral in de grensgebieden wordt Nederland steeds ouder. Zeeuws-Vlaanderen kent de meeste 65-plussers en Limburg is de snelst verouderende provincie. Aan ouderdom gerelateerde ziektes beïnvloeden de samenleving steeds sterker. Het aantal personen dat overlijdt aan dementie is sinds 1996 verdrievoudigd. Maar ook het aantal ouderen dat komt te overlijden door bijvoorbeeld een accidentele valpartij stijgt. In Vlaanderen vindt een soortgelijke trend plaats. Hier neemt de veroudering het snelst toe in de provincies Antwerpen en Limburg. Samen met gerelateerde maatschappelijke veranderingen, zoals de toename van het aantal alleenstaande ouderen, de druk op de arbeidsmarkt in de zorgsector en budgettaire beperkingen, vormt deze evolutie dus een grote uitdaging voor het Vlaams-Nederlandse grensgebied.

Het CrossCare project stimuleert, ondersteunt en versnelt daarom innovaties in de zorg. “Bedrijven en kennisinstellingen kunnen een belangrijke maatschappelijke bijdrage leveren door in te zetten op zorginnovatie en economische valorisatie van kennis,” deelt het project. “Het aantal innovaties dat de markt haalt is echter slechts 35%.” Inmiddels worden er binnen het project daarom zo’n 20 innovatietrajecten ondersteund. In deze trajecten wordt bijvoorbeeld gewerkt aan automatische valpredictie bij ouderen, epilepsiedetectie in huis of een hulpmiddel dat het morsen door tremorbeweging tegengaat. Naast het verdelen van fondsen verleent CrossCare de innoverende partijen ook toegang tot zes Nederlandse en Vlaamse zorgproeftuinen of Living Labs. In deze setting kunnen de innovaties worden gecreëerd en getoetst samen met eindgebruikers voor een betere afstemming tussen nieuwe concepten en de behoeften van zorgconsumenten en -verleners.

CrossCare is al aan haar derde ‘wave’ van innovatietrajecten toe. Afgelopen maand zijn twee nieuwe initiatieven goedgekeurd. Oxypoint heeft als visie het ontwikkelen van een geoptimaliseerde mobiele zuurstofvoorzieningen in ziekenhuizen waarbij het comfort van de patiënt centraal staat. De huidige zuurstofvoorziening gaat vaak gepaard met chaotische logistiek, zuurstofverspilling en een hoge werkdruk voor ziekenhuispersoneel. Oxypoint ontwikkelde daarom intelligente zuurstofflessen met bijbehorende monitoringssoftware. Via CrossCare kan dit nieuwe systeem in samenwerking met Belgische en Nederlandse belanghebbenden in de Living Labs worden getoetst. De tweede deelnemer aan deze derde ‘wave’ is mOSArt of Mobile Obstructive Sleep Apnea Remedy & Test. Door veroudering en overgewicht in Vlaanderen en Nederland wordt slaapapneu een steeds dringender probleem. De grensregio verliest jaarlijks zo’n €1,5 miljard aan kosten die geassocieerd worden met de onderdiagnose van de aandoening. mOSArt heeft daarom als doel een toestel te ontwikkelen, niet groter dan een muntstuk, dat op basis van signalen zoals hartslag snel en eenvoudig apneu kan vaststellen.

CrossCare onderzoekt per cohort de behoeften en verwachtingen van deelnemende bedrijven. Bedrijven die aan eerdere ‘waves’ hebben deelgenomen zijn positief over de mogelijkheden die de proeftuinen bieden. Ze hebben behoefte aan inzichten in de grensoverschrijdende markt, maar ook de thuismarkt. Het wegnemen van investeringsrisico door fondsenverstrekking blijft bovendien een cruciaal onderdeel van het project. De helft van de deelnemende bedrijven geeft aan dat het innovatietraject zeker niet zou kunnen worden uitgevoerd zonder subsidie. Daarnaast zijn de Vlaamse en Nederlandse markten afzonderlijk vaak te klein om investeringen terug te verdienen. Via CrossCare kunnen deelnemende bedrijven onderdeel worden van een internationaal netwerk dat bedrijven, zorgafnemers en -verleners aan elkaar verbindt. Zo geeft het toegang tot een grotere markt en genereert het sociaal kapitaal waarmee bedrijven antwoorden kunnen vinden buiten hun eigen, directe cirkel. De meerwaarde van CrossCare moge daarom duidelijk zijn. Met Europese fondsen verlaagt het project de drempel voor zorginnovatie. In onze demografisch veranderende regio is deze ontwikkeling meer dan welkom.

Nieuws over alle zorginnovaties binnen CrossCare kun je volgen via crosscare.eu.

Gastblog Jonge Klimaatbeweging

Jonge Klimaatbeweging heeft hier een samenvatting van onderstaande blog gepubliceerd.

Europese jongeren slaan de handen ineen op weg naar een duurzame en solidaire samenleving. De maatschappelijke vraagstukken van vandaag zijn immers grensoverschrijdend.

Klimaatverandering is misschien wel het duidelijkste voorbeeld van een dreiging die door geen enkel land afzonderlijk gestild kan worden. En toch voelen veel Europese jongeren juist nu dat er om hen heen angstig teruggegrepen wordt naar oude idealen. De illusie dat een beschermende staat voor alle angsten een oplossing biedt wint opnieuw publieke steun. Veel jongeren willen daarom tegengas geven. Maar wanneer de wereld brandt, voel je je al gauw te nietig om als individu te gaan blussen. Het Europees Solidariteitskorps brengt daarom jongeren bij elkaar voor wie solidariteit niet stopt aan de grens. Er is binnen Europa genoeg om aan te werken: van wederopbouw na natuurrampen tot het bestuderen van biodiversiteit. Via het Solidariteitskorps kun je blijk geven van wederzijds begrip en tegelijkertijd een zinvolle bijdrage leveren aan de samenleving. Ik neem deel aan deze missie en roep alle andere Europese jongeren op om dit ook te doen.

Inhoudelijk doelt het Solidariteitskorps op meer dan klimaatproblematiek alleen. Desalniettemin geloof ik dat dit korps juist voor jongeren met een klimaatagenda een hoop kansen biedt. Klimaatverandering is bij uitstek een probleem dat vraagt om grensoverschrijdende solidariteit. Niet enkel omdat de oorzaak wereldwijd diep in onze samenlevingen is geworteld, maar ook omdat de impact op mensenlevens afhankelijk is van waar je op de wereld geboren wordt. Vaak zijn er in de regio’s waar droogte en overstromingen steeds vaker hun tol eisen weinig middelen voor klimaatresistente infrastructuur. Zelfs binnen Europa zal klimaatverandering op verschillende manieren onze levens gaan beïnvloeden. Denk bijvoorbeeld aan het verdwijnen van drinkwaterbronnen, het mislukken van oogsten, de steeds vaker voorkomende bosbranden of het steeds lastiger af te voeren regenwater in stedelijke gebieden. Om hier goed mee om te kunnen gaan is een continue kennisuitwisseling vereist tussen verschillende overheden, kennisinstellingen en bedrijven uit heel Europa. Via het Solidariteitskorps kunnen jongeren een netwerk opbouwen waar duurzaamheid aan ten grondslag ligt. Je kunt in 2017 niet meer van solidariteit spreken wanneer verschillende maatschappelijke groepen ongelijk betrokken zijn bij de oorzaken en gevolgen van klimaatverandering. Gezien de impact van het klimaat op gezondheid, huisvesting, veiligheid en economie, kan de idee van een solidair Europa niet losgekoppeld worden van klimaatbeleid. Je actief inzetten voor een beter klimaat en voor klimaatresistentie is je inzetten voor een solidaire samenleving.

Daarnaast denk ik dat we als Europese jongeren veel meer zouden moeten erkennen dat we zelf onderdeel zijn van het probleem. Zeker, we kunnen ook onderdeel van de oplossing worden, maar hiervoor zullen flinke stappen moeten worden gezet. Hoewel ‘alle beetjes helpen,’ kunnen we onze verantwoordelijkheid niet afkopen met enkel duurzame zeep en vegaburgers. Om klimaatverandering aan te pakken is een radicale verandering van onze economie noodzakelijk. Dit vereist niet enkel verandering van consumptiegedrag, maar ook verduurzaming van politiek, onderwijs en bedrijfsvoering. Als jongeren delen we de verantwoordelijkheid om onze samenleving toekomstbestendig te maken. Het afschuiven van ongewenste maatschappelijke ontwikkelingen op andere generaties of andersdenkenden is zinloos. Jouw keuzes in de supermarkt, maar ook in het stemhokje, het onderwijs en bij het zoeken naar werk zijn relevant. Ook hier zie ik kansen binnen het Solidariteitskorps. Iedere deelnemer heeft zijn eigen opvattingen, overtuigingen en verwachtingen. Kruisbestuiving van deze ideeën en het maken van de juiste connecties kan leiden tot nieuwe inzichten en kansen. Hoe meer jongeren hun kennis en ambities rond het klimaat introduceren binnen het Solidariteitskorps, hoe breder de beoogde oplossingen uitgedragen kunnen worden. Hier komen nieuwe of toekomstige beleidsmakers, onderwijzers, verzorgers en investeerders bijeen om te leren van elkaar en een duurzaam netwerk op te bouwen. Als deze jongeren hun eigen rol in klimaatverandering erkennen, dan kunnen ze in de toekomst hun opgedane kennis en netwerk exploiteren om oplossingsgericht aan de slag te gaan.

Het Europees Solidariteitskorps is een jong platform en zal inhoudelijk meegroeien met de dromen en ambities van de deelnemers. Tegen de Nederlandse jongeren met hoop voor een beter klimaatbeleid zeg ik: meld je aan, kijk wat er mogelijk is en deel je verhaal in Europees verband.

Zelf werk ik in het kader van het Solidariteitskorps als vrijwilliger voor Interreg Vlaanderen – Nederland in Antwerpen. Dit is een secretariaat van de EU dat grensoverschrijdende projecten subsidieert rond de thema’s technologische innovatie, duurzame energie, natuurbeleid en arbeidsmobiliteit. Mijn doel is om zoveel mogelijk over deze projecten te leren en ook anderen te enthousiasmeren. Een maand na mijn eerste dag heb ik al bij ongelooflijk mooie projecten een kijkje in de keuken kunnen nemen.

Er gebeurt in de grensregio veel meer dan ik van tevoren had kunnen bedenken. Het Interreg programma kent bijvoorbeeld financiering toe aan een hoop projecten die toewerken naar een ‘biogebaseerde economie’. Hieronder valt ook het project Accelerate3, dat onderzoekt hoe de snelgroeiende 3D-printsector gebruik kan maken van biogebaseerde materialen als grondstoffen. Weer een ander project, Entomospeed, onderzoekt op welke manieren insecten gebruikt kunnen worden in levensmiddelen. Insecten zetten afvalstoffen om tot bijvoorbeeld vetten en proteïnen die voor mensen en andere dieren nuttig zijn. Deze projecten werken niet alleen op laboschaal, maar onderzoeken ook mogelijkheden voor opschaling. Het project Grenzeloos Biobased Onderwijs speelt hier dan weer op in, door te investeren in lessen en faciliteiten rond het thema ‘biogebaseerde economie’. Een ander beleidsthema waarin wordt geïnvesteerd is energiegebruik. Het project DEMI MORE investeert in de energie-efficiëntie van monumenten, zodat ook ons historisch erfgoed een toekomst heeft. Vaak is er heel wat synergie tussen de verschillende projecten. Bij PV Opmaat wordt onderzocht hoe zonnepanelen efficiënter en meer op maat geïntegreerd kunnen worden in woningen en gebouwen. De resultaten binnen dit project kunnen dan weer bij demonstraties van andere projecten ingezet worden. Zo is het gelukt om bij een monumentaal rangeerstation aan de Vlaams-Nederlandse grens zonnepanelen te installeren in een ornament. Hierdoor verrijken ze de omgeving eerder dan dat er sprake is van landschapsvervuiling. De kleine stappen die al deze projecten maken zullen uiteindelijk leiden tot innovaties die een hele markt kunnen transformeren.

Alle projecten binnen het Interreg programma zijn grensoverschrijdend. Dat houdt in dat er in deze regio zowel Nederlandse als Vlaamse partners betrokken zijn. Zo wordt ook weer kennisuitwisseling gestimuleerd en raken mensen aan weerszijden van de grens verbonden door een gemeenschappelijke missie. In de Vlaams–Nederlandse regio is het halen van de Europese klimaatdoelen voor 2020 onderdeel van deze missie. De ondernemers en onderzoekers die ik tot nu toe gesproken heb barsten van de energie. Het is prachtig om te zien hoe de oplossingsgerichte geest van de Europeaan grenzen kan overstijgen. Interreg Vlaanderen-Nederland is slechts een programma uit de tientallen grensoverschrijdende programma’s in Europa. Duizenden mensen en organisaties zijn aangesloten bij projecten waarbinnen elke dag aan een betere toekomst wordt gewerkt. Het netwerk dat zij samen vormen doet mij denken aan het Internationale Comité voor Intellectuele Samenwerking dat na de Eerste Wereldoorlog werd opgericht in de hoopvolle, internationale sfeer die toen nog heerste onder de wereldelite. Wat zouden wetenschappers als Einstein en Curie, die lid waren van dit comité, denken van de totale hoeveelheid kennis die gegenereerd en uitgewisseld wordt binnen alle Interreg programma’s? Zij droomden immers van een toekomst waarin door grensoverschrijdende samenkomst van kunst en wetenschap wereldproblemen voorkomen zouden worden.

Vandaag hebben we als mensheid de kans om de dromen van deze dappere internationale geesten te doen voortleven. Klimaatverandering is onze grootste uitdaging ooit. We kunnen ervoor kiezen om opnieuw muren te bouwen. Uit angst, uit boosheid of uit egoïsme. Maar wat kunnen muren beginnen tegen orkanen, stijgende zeespiegels, bosbranden, migratiestromen en voedselschaarste? Om met klimaatverandering om te kunnen gaan zijn we afhankelijk van zowel technologische als sociale innovatie. De hele boel moet op de schop. Toekomstige generaties zullen op een radicaal andere wijze aan hun noden moeten komen dan wij. Dat lukt alleen als wij vandaag de juiste aanzet geven. Voor Interreg Vlaanderen-Nederland is dit elke dag de missie. Via het Europees Solidariteitskorps hebben alle jonge Europeanen de kans om deel te nemen aan vergelijkbare programma’s.

De toekomst van Europa ligt in al onze handen. Zoek daarom actief het debat op, bijvoorbeeld op de Jonge Klimaattop of in het Solidariteitskorps. Verdedig elke dag en naar iedereen het grensoverschrijdende gedachtegoed. Benoem klimaatbeleid als fundamenteel element van een solidaire samenleving. En ontdek wat je samen met anderen kunt bereiken.

Cities and Regions for a Stronger EU

European cities and regions unite their efforts to build inclusive, diverse, sustainable and resilient communities. Such communities can reinvigorate the European project. In order to regain and strengthen trust in European institutions, all levels of territories will need to cooperate. Today, representatives from regions and cities all across Europe came together to discuss how they can help with bringing European policies to life. The workshop ‘Getting Europe back on its feet – a view from local and regional governments’ was an explosion of aspirational thoughts around a single idea: citizens need to get involved in EU policy-making and local authorities are the essential link. The workshop was organised within the framework of the European Week of Regions and Cities.

 Mr. Bonaccini, President of the Council of European Municipalities and Regions (CEMR), opened the session by presenting the CEMR’s position paper on the future of Europe. According to him, “Europe needs to become stronger and local authorities play a crucial role in this. We are ready and willing to have a debate with all levels of governance.” The position paper was welcomed by all other speakers. Ms. Maydell, Member of the European Parliament, agreed that engagement with citizens is needed to address their most pressing concerns. “The EU needs vision and pragmatism to encourage citizens to join in the public debate,” she confirmed. More speakers were concerned with the role of citizens in EU policy-making. Mr. Van Den Brande, Bureau Vice-President of the Committee of the Regions, argued that the EU needs more elements of a deliberative democracy on top of its representative model. “The real question,” he started “is whether citizens are currently the owners of the European project. Are they followers or protagonists?” Together these speakers expressed an enormous political will for more involvement of local authorities in EU policy-making.

 Mr. Olbrycht, Member of the European Parliament, however, questioned to what extent political intentions will actually lead to concrete results. “We all speak of cities now, it’s trending,” he said. “But does this translate into real recognition of cities in the whole system of the EU?” According to him, the time for local authorities to claim their voice in EU policy-making is now. He speaks of a true “window of opportunity”. After Brexit, the remaining 27 Member States agreed that the EU needs to be reformed. A lot of issues that were discussed at the time of the referendum are actually most pressing at the local level. “Think of incoming refugees, for example. National governments make decisions, but municipalities have to come up with real solutions here.” This window of opportunity will not always stay open: “right now is the moment for very serious debate.”

 One recurring theme in many speeches was the importance of the Cohesion Policy in strengthening European regions and cities. Rudolf Niessler, DG Regio, expressed his appreciation for the way in which local authorities and interest groups already play a large contributory role in the Cohesion Policy. He explained that the policy unites European regions around collective goals, such as sustainable development. “If there’s one thing we have pushed for in the Cohesion Policy, it’s to make the EU’s innovation agenda participatory. With our regional smart specialisation approach we moved away from our top-down investment approach. Instead, we now mobilise investments on the basis of regional knowledge, for example on competitive advantage of local enterprises.” The Cohesion Policy is a crucial tool for connecting citizens and local and regional authorities to the EU.

 The message from today’s workshop is clear: regions and cities are ready to get involved in European politics. Their relevance in bringing European policies to life was not just expressed by CEMR staff and local representatives, but also by Commission staff and MEPs. Ms. Helgesen, Co-President of CEMR, asks herself and the audience: if citizens don’t believe their local representatives, will they believe representatives at a higher level?” In Norway there is a great trust between citizens and local governments and between local governments and the national government. This model could be exemplary for the EU,” she stated. “After all,” she concluded, “trust is our most important capital.”

IMG_4690

Students in Katwijk discuss the future of Europe

The Pieter Groen high school in Katwijk encourages students to be engaged European citizens. Students participating in the school’s bilingual program learn to discuss and debate political affairs in perfect English from 12 years onwards.

On behalf of Interreg Volunteer Youth (IVY), I visited the school last Thursday and entered into dialogue with about 70 students. In three sessions lasting no more than 50 minutes each we shared questions and opinions about European solidarity, European cohesion and cross-border development. The students’ understanding of societal challenges was more than impressive. Their knowledge, engagement and critical attitude make me hopeful about the future. But we should not only listen to young people because of their future potential – their voices matter today. The pure straightforwardness and unrestrained creativity of the feedback I received on European politics (and my presentation) stands in sharp contrast with the carefully formulated documents that policymakers work with every day.

We kicked off by sharing thoughts on the EU in general. Most students are satisfied about the way in which the EU facilitates trade and stabilises our economy. Jesse (15), shares that “the thing I like most about the EU is the single currency and the ability to travel around freely.” Above all, the students are happy to live in a safe and peaceful place. Some students were more critical. Niels (13) thinks that the EU doesn’t work well at the moment. “Not all Member States stick to the agreements once made and sometimes cultural differences between states seem hard to bridge.” But when he thinks about his own local ambitions, he finds that his interests align well with a specific European policy. “I would like to live in Katwijk, where I’m from. I want to help the fishing industry and restore sea life to its old form”. The health of our seas and oceans is a clear example of a common good: we all need to put in some effort to achieve progress. Perhaps the European Maritime and Fisheries Fund can help him turn his solidarity with fishermen into concrete progress.

students

Solidarity was a new concept to many students. Still, almost everyone succeeded at naming some words that they associated it with. In the European context, I personally related the following concepts to solidarity: unity, team-spirit, agreement, shared responsibilities and shared interests. Nathan (14) added something very valuable. “I think that solidarity is all about honesty,” he said. All groups agreed that solidarity exists between individuals, but also between communities. “People should’t focus on themselves and their own problems all the time,” Paul (14) wrote. Lisanne (14) agreed: “It doesn’t take much to be kind and help others.”

From the topic of solidarity we moved on to the European Solidarity Corps. This is a recent initiative that connects young Europeans to projects that strengthen communities, support vulnerable people and address societal challenges. Anna (14) was first sceptical of her own capacities in an international and political context. “I don’t really know much about other countries. When it comes to politics, I just think that others must be knowing what they’re doing. I prefer staying out of everyone’s way.” Similar to Niels, though, she feels connected to one particular policy domain that she would like to see improved herself. “I would like to do something meaningful for the elderly feeling lonely. I just want to put a smile on their faces.” Perhaps there are projects within the Solidarity Corps that could connect Anna to the people she wants to help. Lisa (13) already knows that she wants to join the Solidarity Corps after school. “I learned today that we can actually be part of the European Solidarity Corps! It sounds really cool. If I were to join, I would like to report on human rights within Europe.” Other students also had specific ideas of what they would like to do if they were to join the Corps. Here are a few examples:

Kick (13): “I would like to contribute to European nature conservation. Preferably in Scandinavia. I am not sure how I could best do this, but I want to be active and work with my hands. I hope to learn more about nature and encourage others to take better care of our environment.” 

Sofie (13): “I think that sports can connect people. I would like to organise sports activities between refugees and locals to connect them and make everyone happy, at least for a moment.” 

Caroline (13): “There are still a lot of animals in Europe that suffer. I would like to go help stray dogs in other countries. For example by working for a shelter. I would like to say to all Europeans: ‘Take care of your animals’!”

Pien (13): “I think that quality of food is very important. If I were to join the corps, I would like to stimulate research on food quality or teach about food and health. The message I’d like to share with fellow Europeans: ‘Think before you eat’!”

Tim (13): “I would like to go to Italy or Greece and help refugees with their administration. This must be really hard to deal with on top of everything.” 

Anna (13): “Education should be similar all across Europe. I would like to contribute to the standardisation of the quality of education.”

Martijn (13): “I would like to help communities after natural disasters, like earthquakes. It doesn’t really matter where in Europe I can go. If I can help, I will.”

The next topics on our agenda were related to Interreg, IVY and cross-border development. As an example, we first discussed the specific development aims of Interreg Vlaanderen-Nederland, a program operating not too far from Katwijk. The students were already very familiar with targets such as renewable energy generation and biodiversity conservation. I invited them to take part in an Interreg simulation. Groups of students had to decide on a cross-border region and think of border problems and solutions. They came up with examples varying from the mobility of ships between Danish islands and Germany to multilingualism along the Dutch-German border. Quinten (12) felt concerned about one of Europe’s northernmost regions: “Being an IVY volunteer sounds very nice! I would like to bring people together around the remote border between Finland and Sweden. How do you connect people that live so far away from everyone else? It’s good that the EU tries to support people in these regions.” Stefan (14) expressed his appreciation of the Interreg programs: “it seems like a very good initiative to me. The focus on one region per program allows for tailor-made subsidies that can lead to development.” Together the students came up with a whole set of interesting border issues and solutions. One example: the introduction of entirely bilingual schools along the Dutch-German border, so students no longer have to choose schools on the basis of language. This would also help prepare the large number of German university students who study in the Netherlands. Clearly, the Pieter Groen students are ambassadors of the bilingual education they benefit from themselves.

I hope the students will keep border issues and European solidarity in the back of their minds as they progress their studies. Their motivation and creativity enriches our society.

A big thank you to all students and staff for an inspiring morning! 

High school staff or students interested in organising a similar session can send an e-mail to robbert.vantilborg@grensregio.eu until 1 December 2017.

Een druppeltje duurzamer

De oorspronkelijke versie van dit blogbericht lees je hier

De lat ligt hoog bij IMPROVED (Integrale Mobiele Proceswatervoorziening voor een Economische Delta). Dit project zet zich in voor een duurzame aanpak van de industriële proceswaterketen. Tijdens het midterm-event op 18 september kwamen de projectpartners bijeen om reeds behaalde resultaten te delen en de strategie voor de toekomst nog eens aan te scherpen. Elke partner richt zich tot een ander aspect van een gezamenlijk hoofddoel: het bouwen en testen van een gemakkelijk verplaatsbare onderzoeksinstallatie.

Elke dag neemt de nood voor nieuwe technologie voor proceswaterzuivering in en rond de Zeeuwse Delta toe. Dit komt onder andere door klimaatverandering. Proceswater wordt binnen de chemische industrie benut als koelvloeistof, procesmiddel, oplosmiddel of vervoersmiddel. Deze industrie vertegenwoordigt een groot deel van de economische activiteiten in de Zeeuwse, Gentse en Antwerpse zeehavens. Tot op heden wordt er in dit gebied voornamelijk proceswater gewonnen uit grondwater of zoet oppervlaktewater. Door klimaatverandering wordt er echter steeds meer grondwater opgepompt en is er sprake van verzilting van zoetwaterlichamen. Zo ontstaat een sterk dalende zoetwatervoorraad in de zeehavengebieden. Er bestaat nog geen duurzaam integraal waterbeleid in de Delta. Uit onderzoek van de Europese Commissie blijkt zelfs dat Vlaanderen en Nederland ongeveer tien keer meer water zouden kunnen hergebruiken dan momenteel het geval is. Dit komt voornamelijk doordat chemische bedrijven waterproblematiek nog niet als core-issue beschouwen en afgeschrikt raken door initiële investeringskosten. IMPROVED probeert hier door middel van openbaar onderzoek verandering in aan te brengen.

Het project experimenteert via mobiele onderzoeksinfrastructuur met waterzuiveringstechnieken om tot de juiste kwaliteit van proceswater te komen. De benodigde kwaliteit verschilt van proces tot proces. Tot op heden wordt voor de volledige chemisch-industriële sector vaak nog onterecht uitgegaan van drinkwaternormen. Hierdoor is de uiteindelijke waterkwaliteit voor veel sites vaak te goed of juist ongeschikt. Er gebeurt nog te weinig onderzoek naar de effecten van de kwaliteit van proceswater op het productieproces. Zulk onderzoek vereist expertise vanuit verschillende hoeken evenals samenwerking tussen verschillende bedrijven en vakgebieden. Binnen IMPROVED worden deze partijen bij elkaar gebracht. Samen onderzoeken ze hoe proceswater door hergebruik steeds weer tot de juiste kwaliteit kan worden gebracht. Hierbij wordt niet enkel rekening gehouden met de initiële kwaliteit van het water, maar ook met mogelijke bijeffecten van contact tussen proceswater en leidingen. Op dit moment staat de mobiele testapparatuur in containers op het bedrijventerrein van Yara in Zeeuws-Vlaanderen. Deze containers zullen nog verplaatst worden naar andere chemische sites om zoveel mogelijk data te verzamelen. Na afloop van het project zal de geoptimaliseerde installatie tegen onderhoudsprijs ter beschikking gesteld worden aan alle geïnteresseerde partijen. Dit biedt unieke kansen voor de chemische industrie in Vlaanderen en Nederland.

Het midterm-event vindt plaats in het Bio Base Europe Training Center in Terneuzen. Bij binnenkomst is de sfeer direct optimistisch, doch ambitieus. Er is veel bereikt de afgelopen maanden. Zo is er onderzoek gedaan naar het risico van microbiële contaminatie voor proceswater onder verschillende omstandigheden. Ook zijn de voorbereidingen voor nieuwe testlocaties al in volle gang, mede dankzij Tim van Overstraeten, die zijn afstudeerthesis aan het project heeft gekoppeld. De presentatiesessies belichten niet enkel de behaalde resultaten, maar onderstrepen ook nog eens de filosofie achter IMPROVED. Ewoud van den Brande, medewerker bij projectpartner Yara, deelt ons vol enthousiasme mee dat de milieu- en duurzaamheidsfocus van dit project precies is waarom hij bij Yara in dienst is gegaan. “We  hebben de chemische industrie hard nodig, maar deze gaat niet altijd hand in hand met duurzaamheid. Hier ligt een enorme uitdaging. Daar zet ik me voor in,” vertelt Van den Brande. Eenzelfde toewijding vinden we bij Arne Verliefde, Faculteit bio-ingenieurswetenschappen aan de Universiteit Gent en tevens projectverantwoordelijke. Verliefde onderstreept het grens- en sectoroverschrijdende karakter van het project: “de samenwerking tussen zoveel Vlaamse en Nederlandse partners uit verschillende vakgebieden is echt uniek. Hier kunnen innovaties uit voortvloeien die de water-efficiëntie in de chemische industrie enorm kunnen verbeteren. Dit onderzoek biedt zowel economische als ecologische kansen voor de  hele regio.”

Als kers op de taart wordt nog een bezoek gebracht aan de mobiele onderzoeksfaciliteiten op Yara’s industrieterrein. Na met een bus te zijn afgezet op het industriegebied bereidt de groep zich voor op het bezoek: jassen aan, brillen en helmen op. Veiligheid voorop. Eenmaal bij de containers kan de groep zich vergapen aan alle vatten, buisjes, pompen en elektrische apparatuur. Medewerkers van de Universiteit Gent en Yara geven uiting aan hun liefde voor het vak door allerlei vragen ter plekke te beantwoorden. Gelukkig maar, want de ingewikkelde constructie roept bij heel wat deelnemers vragen op! Ook voor de observanten zonder achtergrond in de biotechnische industrie is het indrukwekkend om de concrete uitvoering van dit samenwerkingsproject van dichtbij waar te nemen.

Na afloop licht Van den Brande nog eens toe dat Yara meewerkt aan dit project vanuit oprechte interesse in het partnerschap, de onderzoeksprocedure en de resultaten. “We willen de industrie voorbereiden op een toekomst waarin minder water beschikbaar is.” Met deze visie in gedachten zetten de betrokkenen de eerste stappen naar een duurzaam proceswatersysteem voor de Vlaams-Nederlandse industrie. Niet voor niets kleuren de goudgele sterren van de Europese vlag de zijkanten van de onderzoekscontainers. De projectpartners van IMPROVED geven samen alleszins blijk aan toekomstgericht en grensoverschrijdend gedachtegoed.

De grensregio in 3D

De oorspronkelijke versie van dit interview lees je hier

De toekomst is gisteren al begonnen. Daarvan overtuigt het project Accelerate³ ons. Dit Interreg-project zet zich in om de expertise en testinfrastructuur uit Nederlands Limburg en West-Vlaanderen op het gebied van 3D printen (Additive Manufacturing of AM) te bundelen en te versterken. Hierachter schuilt een duidelijke filosofie. In een snel veranderende wereld, ligt de toekomst in een kennisgedreven economie.

Accelerate³ investeert in onderzoek naar AM en deelt kennis met KMO’s/MKB’s en grotere bedrijven uit de regio. Het project stimuleert open innovatie: het uitwisselen van innovatieve ideeën en concepten tussen bedrijven en andere spelers. Ook de apparatuur die binnen het project wordt aangeschaft, zal worden ingezet om de lokale industrie te ondersteunen en verder grensoverschrijdend onderzoek te faciliteren. Vandaag zitten de projectpartners rond de tafel: dat biedt gelegenheid voor het stellen van enkele vragen. Emmelie Houzet (TUA West), Wim Thielemans (KU Leuven), Karen Deleersnyder, (Centexbel), Ed Rousseau (Brightlands) en Edwin Bakker (Brightlands) geven antwoord.

Waarin schuilt de kracht van Vlaanderen op het gebied van AM?

Vlaanderen kan als bakermat van AM technologie worden beschouwd. Vlaamse universiteiten liggen aan de basis van onderzoek waaruit voortrekkersbedrijven (o.a. Materialise, Layerwise) ontstaan die intussen zijn uitgegroeid tot belangrijke spelers. Ook nu de wereld van AM is geïnternationaliseerd, spelen deze partijen nog een belangrijke rol.

Geldt hetzelfde voor Nederland?

In Zuid-Nederland is er, naast de verwerkende bedrijven, ook een sterke concentratie van grondstofproducenten zoals DSM en SABIC. Op de Brightlands Chemelot Campus is ook een concentratie van belangrijke instituten op dit gebied: Brightlands Materials Center en Chemelot Innovation and Learning Labs. Daardoor bestaat een goede aansluiting met het onderwijs. Bovendien is de Nederlandse focus op polymere materialen in AM redelijk uniek.

Kunnen Vlaanderen en Nederland elkaar op deze manier versterken?

Wat toepassingen betreft, focust West-Vlaanderen onder meer op textiel, kunststofverwerking en recyclage, terwijl Nederlands Limburg actief is in automotive toepassingen en life sciences. Door het samenbrengen van de bedrijven uit beide regio’s, kan de volledige waardeketen bespeeld worden en kunnen interdisciplinaire trajecten worden uitgetekend die zonder deze grensoverschrijdende samenwerking niet mogelijk zouden zijn.

Welke ontwikkelingen zijn momenteel van groot belang in de wereld van AM?

Materiaalontwikkeling. Het aantal materialen dat met diverse AM technieken verwerkt kan worden, is nu nog veel beperkter dan bij conventionele productietechnieken. We besteden bijzonder veel aandacht aan biopolymeren om de voordelen van AM in meer domeinen te kunnen benutten. De huidige polymeren zijn ooit ontwikkeld voor spuitgieten en extrusie, niet voor AM. Voor de ontwikkeling van geschikte polymeren voor AM zal men terug moeten naar de “tekentafel”. Er zal eerst onderzoek gedaan moeten worden naar de fundamenten van het 3D printen van polymere materialen. Dit wordt onder anderen gedaan binnen Brightlands Materials Center en Centexbel. Daarnaast is het belangrijk dat dit gebeurt in nauwe samenwerking met gerelateerde partijen uit de private sector.

Welke rol speelt Accelerate³ hierin? Wat is jullie meest sprekende resultaat?

Accelerate³ is geen onderzoeksdossier, maar een investeringsdossier. In die zin is het dan ook logisch dat er geen “grensoverschrijdende onderzoeksresultaten” zijn behaald. Er zijn inmiddels wel toonaangevende investeringen in AM apparatuur en analyseapparatuur gemaakt. Deze investeringen zullen het toekomstige ontwikkelingsniveau op een hoger peil brengen. Daarnaast zal de aangeschafte apparatuur gebruikt worden voor het ondersteunen van de lokale industrie en om grensoverschrijdende onderzoeksprojecten op poten te zetten. Dit project stimuleert ook uitwisseling van kennis tussen de aangesloten partners. Door het delen van kennis en informatie op het gebied van AM – al dan niet opgedaan middels de apparatuur die is aangeschaft binnen dit project – ontstaan er ideeën voor nieuwe samenwerkingen. Het Nederlandse Brightlands werkt bijvoorbeeld al op meerdere vlakken samen met partijen in West-Vlaanderen.

Hoe ziet deze samenwerking er in de toekomst uit, na het project?

Verdere samenwerking tussen geïnteresseerde partijen zal een natuurlijk uitvloeisel van het project zijn. Accelerate³ zal niet resulteren in een directe oprichting van een nieuw instituut, maar in een cluster van nieuwe contacten, van onderwijsinstellingen tot MKB’s/KMO’s. Rond onze investeringen in state of the art apparatuur kunnen samenwerkingsdossiers worden ontwikkeld waarbij ook partners en bedrijven van buitenaf betrokken kunnen worden.

Wat is een concreet voorbeeld van zo’n investering?

Een nieuw XPS toestel is net vorige week geïnstalleerd bij de KU Leuven Kulak. Dit toestel is ontwikkeld door KRATOS in het Verenigd Koninkrijk. Slechts enkele spelers in de wereld werken op dit niveau. Met dit apparaat kunnen we juist onderzoek doen naar materiaalontwikkeling. Het biedt specifieke mogelijkheden om de chemische compositie van materiaaloppervlak in kaart te brengen. Vooral onderzoek naar het interageren tussen verschillende lagen is relevant. Dit is nu nog een zwak punt in de AM sector. Daarnaast kan het apparaat polymeeroppervlakken voor analyse reinigen zonder schade aan te brengen. Het is een aanwinst voor de regio!

AM zal de maakindustrie ingrijpend veranderen. Wat betekent dit concreet voor de Vlaams-Nederlandse grensregio?

Door de uitbouw van AM technologie krijgen de talrijke KMO’s/MKB’s uit de maakindustrie een extra troef om in te spelen op specifieke eisen van de klanten. AM, oorspronkelijk gezien als methode voor productontwikkeling en modelleren, ontwikkelde zich geleidelijk tot een productietechnologie die eerder aanvullend dan concurrentieel is. Door verdere automatisering en dalende personeelskosten zal bovendien een stuk maakindustrie naar onze regio kunnen worden teruggebracht. Dit biedt enorme kansen voor economische groei.

Economische groei is binnen de Interreg-filosofie ook verbonden aan verduurzaming. Kunnen investeringen in AM technologie hier een bijdrage aan leveren?

Ja, onder meer door het inzetten van biopolymeren als grondstof. Biopolymeren zijn bij opstart doorgaans duur. In innovatieve applicaties waarvoor de polymeerontwikkelingen nog niet ten gronde zijn doorgevoerd, zoals AM, kunnen biopolymeren gemakkelijker concurreren met standaard oliegebaseerde materialen. Er wordt nu al gebruik gemaakt van andere biogebaseerde materialen voor AM toepassingen en er zitten verdere ontwikkelingen in de pijplijn!

AM heeft verder het voordeel dat producten duurzamer ontworpen en geproduceerd kunnen worden, bijvoorbeeld omdat het productieproces minder CO2 uitstoot. Door het verminderen van opslagruimte en transportkosten kan AM leiden tot zowel verduurzaming als kostenbesparingen. Daar waar je in een productieproces tot op heden veel reserveonderdelen op voorraad moet produceren, kun je in de toekomst de voorraad ‘in de computer’ hebben. Wanneer je het reserveonderdeel dan echt nodig hebt, kun je het op de juiste locatie printen.

Zal er voor productieketens die nu nog niet te maken hebben met AM straks ook een biogebaseerd productiealternatief zijn dankzij AM ontwikkelingen?

Dat zou deels kunnen. Bijvoorbeeld voor het printen van nieuwe productmodellen of voor zeer specifieke producten in productieketens met kleine series en/of met veel toegevoegde waarde.

Gaat de grensregio dankzij Accelerate³ een voorbeeldrol spelen in Europa op het gebied van biogebaseerd 3D printen?

De omvang van het gezamenlijke cluster is beperkt, maar dit project is wel een opstap naar een veel bredere samenwerking die een voorbeeldrol zou kunnen vervullen.

Hoe kunnen beleidsmakers het best inhaken op AM ontwikkelingen?

De technologie is nog volop in ontwikkeling, dus allereerst zijn er meer investeringen nodig in onderzoek naar materialen, snellere processen en integratie in bestaande productieprocessen. Ook zal de technologie en haar mogelijkheden kenbaarder gemaakt moeten woorden bij een ruimer publiek. De grootste kansen liggen wat ons betreft echt bij het terughalen van een deel van de maakindustrie naar onze regio. Ook zullen er ethische vragen moeten worden besproken in een publieke context, bijvoorbeeld rond thema’s als eigendomsrechten of misbruik van ontwerpen in digitale vorm.

Als je de kans had om alle Europese jongeren in een keer te enthousiasmeren voor AM, wat zou je boodschap dan zijn?

AM is een nieuwe technologie met heel veel potentie voor verder onderzoek en innovatie. Het is een uitgespreide business die instapmogelijkheden biedt aan startups en het KMO/MKB. AM is volledig open voor creatief design: je hebt veel vormvrijheid en mogelijkheden voor massacustomisatie. Daarmee bedoelen we dat er voor iedere toepassing op maat en naar voorkeur een product ontwikkeld kan worden. De techniek staat nog in de kinderschoenen, maar de mogelijkheden zijn groots.

Ons verleden in stenen op weg naar de toekomst

De oorspronkelijke versie van dit blogbericht lees je hier.

Bij DEMI MORE zit de vaart er goed in. Dat blijkt uit de enthousiaste verhalen van projectpartners tijdens het midterm-event. Ze hebben een duidelijke missie: aantonen dat door innovatie ook de monumentensector kan verduurzamen. Op de agenda staat het verbeteren van de energie-efficiëntie van 7 erfgoedcomplexen in Vlaanderen en Nederland. Zo worden de monumentale panden aantrekkelijk voor ondernemers en overheden en blijft hun cultuurhistorische pracht geborgen.

We ontmoeten projectverantwoordelijke Annemie Nagels (Kempens Landschap) en Frank Tuerlings (provincie Noord-Brabant) in de voormalige leerfabriek in Oisterwijk. Sinds de lancering van het project eind 2015 verzorgen deze twee partners de coördinatie en promotie van het project. De passie voor het vak blijkt al van zodra Tuerlings toelicht waar we ons precies bevinden. De eens grootste leerfabriek van Europa is een kolossaal complex met een stoere, industriële look. Onder het beheer van de provincie Noord-Brabant is de fabriek omgetoverd tot een multifunctioneel pand waar ruimte is voor samenkomst en ondernemerschap. De tientallen hippe ondernemingen die zich er inmiddels bevinden worden omringd door ruige architectuur en museale decoraties. Hier leeft de geschiedenis. In deze toepasselijke setting brengen Nagels en Tuerlings ons op de hoogte van de stand van zaken van DEMI MORE: er staat de komende tijd nog heel wat te gebeuren!

BREEAM: één norm voor energie-efficiëntie bij monumenten

De doelstelling van het project is tweeledig. Enerzijds wordt duurzame innovatie in de monumentensector gestimuleerd via demonstratieprojecten die mogelijkheden voor verduurzaming testen en zichtbaar maken. Anderzijds wordt er gewerkt aan een algemeen keurmerk voor historische en monumentale gebouwen in Nederland en België. Hiervoor wordt de in reeds 70 landen toegepaste BREEAM-norm aangehouden. De Dutch Green Building Council (DGBC) is verantwoordelijk voor de specificering en toepassing van BREEAM op de Nederlandse markt. Deze norm is niet automatisch toepasbaar op historische en monumentale panden. Dergelijke panden vragen vaak om een specifieke benadering: zo is de energie-efficiëntie van een hoop monumenten relatief laag, maar worden er wel weer veel oude materialen hergebruikt. In hechte samenwerking met de DGBC werkt DEMI MORE aan een BREEAM-norm specifiek voor monumenten in Nederland en later ook in België.

De ideeën vliegen over-en-weer

Om de voortgang van de demonstratieprojecten te bespreken, sluiten ook de andere DEMI MORE partners aan in de leerfabriek. Vanaf het eerste ogenblik ontstaat een natuurlijke kruisbestuiving tussen de aanwezigen. “Leggen jullie daar infrarood vloerverwarming aan? Dat zijn wij ook van plan! Dan kunnen we vast leren van elkaar,” klinkt het in de zaal. Eén van de partners is het Franciscanenklooster Megen. Voor dit klooster is de introductie van een innovatief luchtbehandelingssysteem en de installatie van PV-leien op het dak voorzien. Volgens de aanwezige partner zijn de betrokkenen erg enthousiast en kan het klooster straks als voorbeeld dienen voor vergelijkbare instituten: “Franciscus van Assisi is ons voorbeeld. Zijn verbondenheid met de natuur inspireert ons. Daarom biedt dit Interreg programma voor ons een mooie kans: de verduurzaming van ons klooster past bij onze spirituele missie”. De Beddermolen te Westerlo is een ander erfpachtpand dat zich via DEMI MORE energie-efficiënt zal ontwikkelen. Om de uiterlijke kenmerken van het gebouw te bewaren, zullen hier isolatiepanelen geplaatst worden die specifiek voor rieten daken zijn ontworpen. Zo wordt de stand van zaken van de 7 demonstratieprojecten door de partners besproken. “Het komende halfjaar zullen de beoogde plannen ook echt effectief geïmplementeerd gaan worden,” geeft Nagels uiteindelijk aan.

Duurzaam bier brouwen op toplocatie

Grootse plannen liggen ook op tafel bij een nieuwe partner in het DEMI MORE project: de Brabantsche Stoombierbrouwerij (BSB). Initiatiefnemers Roger ter Horst en Marco Faber willen op duurzame wijze met lokale partners ambachtelijk bier brouwen in het oude ketelhuis naast de leerfabriek. Met veel enthousiasme geeft het duo een rondleiding door het nog te renoveren ketelhuis. “Toen we ontdekten dat ons plan voor een duurzame, ambachtelijke brouwerij technisch haalbaar was ervoeren we een echt ‘joehoe-moment’,” jubelt Ter Horst. De plannen sluiten mooi aan bij de DEMI MORE-filosofie. Met de brouwerij zal er nieuw leven geblazen worden in het bijna 100-jaar oude industriële complex dat voor lange tijd haar diensten bewees als kolencentrale. Centraal in het pand bevindt zich nog altijd de indrukwekkende stoommachine (1924) die gedurende de tweede wereldoorlog heel de gemeente Oisterwijk van noodstroom heeft voorzien. Dit recentelijk opgeknapte pronkstuk is uniek in continentaal Europa. De enorme muurschilderingen die de ruimte kleuren, nemen je direct mee naar een tijd waarin de blik op de wereld gekenmerkt werd door arbeid en industrie. Een grimmig, doch romantisch spektakel dat mede dankzij Europese investeringen ook in de toekomst het publiek zal blijven inspireren.

Midterm_brouwerij 02.jpg

De industriële geschiedenis van de fabriek staat in contrast met het beoogde duurzame karakter van de brouwerij. Door middel van innovatieve technologie zullen geurende kookdampen uit het brouwproces opgevangen en benut  worden om de temperatuur in het proeflokaal te conditioneren. Daarnaast worden PV-leien op het pand en de bottelarij geplaatst die wanneer noodzakelijk extra energie kunnen leveren om de brouwerij te verwarmen via amorfe linten. Faber bedenkt tijdens de rondleiding nog nieuwe mogelijkheden: “als er teveel energie gegenereerd wordt door de PV-leien kunnen we dit wellicht direct benutten om elektrische auto’s op te laden!” Om ook het geluidsoverlast te reduceren wordt een pijplijn tussen de brouwerij en bottelarij gelegd die het bier heen en weer kan pompen. Een geur- en geluidloos én energie-efficiënt brouwproces in een monumentaal pand is uniek in de regio. De ondernemers zijn ook zeker van plan om dit te delen met de buitenwereld via hun proeflokaal en door middel van rondleidingen met uitleg over energie-efficiënte technieken. “Mede dankzij Interreg ontstaat er hier een authentiek verhaal wat ook voor het publiek interessant is,” geeft Ter Horst aan. “Wij willen een Brabantse hotspot worden waar geschiedenis en innovatie samenkomen en streekproducten centraal staan. Beleving meegeven aan een breed publiek zit in ieder element van ons plan. De deur zal altijd open staan.”

Door in monumenten te investeren geeft DEMI MORE de geschiedenis weer een toekomst. De 7 demonstraties moeten aanzetten tot verdere innovatie in de monumentensector. Straks kunnen alle demonstratiesites bezocht worden door het publiek. Houd daarom ook zeker de website in de gaten!